Wetenschap - 23 maart 2017

Tjiftjaf

tekst:
Stijn van Gils

Fris ochtendlicht straalt op mijn handen. Mijn gedachten zijn bij de introductie van mijn proefschrift, maar fysiek loop ik door een bos. Hé wacht, hoor ik dat goed? Ja, een tjiftjaf! Ik glunder. In gedachten ga ik terug naar vroeger.

Een jaar of 16 zal ik geweest zijn, 17 misschien. Natuur was zonder twijfel het belangrijkste in mijn leven (een relatie had ik niet). Bloemen vond ik mooi, zeker als ik de soort kon herkennen. En wanneer ik een citroenvlinder zag, maakte ik een klein sprongetje in de lucht. Maar de eerste tjiftjaf van het jaar; dat was het summum van geluk.

Via de lokale natuurclub kende ik Michiel. Hij was oud; een jaar of 30, 40 en ik had medelijden met hem. Michiel was namelijk conducteur. Ongewenst, want liever was hij boswachter geworden. Hij solliciteerde ook op dat soort banen, maar dat was kansloos. ‘Zonder diploma in die richting lezen ze je brief niet eens’, klaagde hij. En dus werd natuur iets voor het weekend.

Dat zou mij niet overkomen, dacht ik. Ik snapte op die leeftijd dat je voor een baan in de natuur toewijding nodig had en een diploma in dat vakgebied.

Waarachtig: het is allemaal gelukt. Nog even en ik ben zelfs doctor in de ecologie. Glunderend en tevreden met mijn leven, beluister ik het felle tjiftjaftjiftjaftjiftjaf…

Dan grijpt mijn hand als automatisch naar mijn telefoon. 22 maart, zegt het scherm. Shit, deze vogeltjes zijn dus al minstens een week massaal in Nederland zonder dat ik iets in de gaten had. Tja, hoe kan het ook anders: ik zit alleen nog achter de computer.

Mijn gedachten gaan terug naar vroeger. Vol jaloezie denk ik aan Michiel. Die had natuur voor in het weekend.


Re:ageer