Organisatie - 1 januari 1970

Teva Blues

Wanneer de merels zingen en het gras weer geurt, dan jeukt de lente, bloezen de bloesjes en ontluikt een tijdloos Wagenings zomerkleed. Het is als Koot en Bie’s Bloesjes Blues, waarin ‘oudere jongere’ Koos Koets, begeleid door mondharmonica en hash, zijn loflied zingt op de vrije natuur onder luchtige lente kleding. Maar dan anders, Wageningser. De Teva-sandaal, de haren, de Indiase jurk. Wat voor stedelingen een hobbezakkerige zomer zou zijn, lijkt voor menig Wageninger een nestgeur van ‘natuurlijk jezelf’.
Natuurlijk willen we niet generaliseren, en koesteren we een ieder die lekker zichzelf wil zijn. Maar waarom herken je - zoals je feilloos Nederlandse toeristen onderscheidt van Duitsers - te allen tijde de zomerse Wageninger tussen Amsterdamse naaldhakken en Utrechtse jeans?

Agrarisch historicus dr. Anton Schuurman, wat is dat toch? Plaatst u de Teva nou eens in een historisch perspectief.
‘Er bestaat inderdaad zoiets als een streekdracht. Die is in de 19e eeuw ontstaan in grote plattelandsgebieden rond de stad. Eigenlijk is het een identiteitsverhaal. Juist rond de grote steden wilden de boeren zich zichtbaar onderscheiden. Of je Wageningen hier binnen kunt plaatsen heb ik niet onderzocht. Wel zie je het boerse terug in de Wageningse studentendracht van de jaren zeventig en tachtig, toen studenten massaal sympathiseerden met de boeren: klompen met dikke sokken, en van die onopgemaakte meisjes. Ook zie je nog steeds medewerkers in korte broek. Iets wat alleen in het veilige Wageningen lijkt te kunnen. Je kunt toch ook een luchtige lange broek aan, denk ik dan. Maar ja, ik kom uit Nijmegen. Ze zullen het thuis ook wel dragen. Het zijn hier echt van die natuurmensen, hè.’
Martijn Vink

Re:ageer