Organisatie - 11 februari 2016

Tekort aan thesisplekken dreigt

tekst:
Rob Ramaker

Door de groei van de universiteit moeten meer studenten dan ooit tegelijkertijd een thesis doen. Dit zet de keuzevrijheid, flexibiliteit en mogelijk zelfs de kwaliteit onder druk.

Illustratie: Geert-Jan Bruins

Stel, je bent wetenschapper. Je krijgt mail van een enthousiaste student die het liefst afstudeert op jouw onderwerp. Dat is niet alleen leuk maar levert ook twee gratis handjes en een stel hersens op. Dus wat mail je terug? Voor onderzoekers bij Microbiologie is het antwoord steeds vaker: ‘Nee, dankjewel’. Er is namelijk te weinig ruimte. Studenten melden zich in steeds grotere aantallen voor een thesisplek, een ontwikkeling die nog wel even doorzet.

Wageningen University groeit als kool, zeker na het collegejaar 2006-2007. Begonnen destijds 577 eerstejaars aan een bacheloropleiding, afgelopen september waren dat er al 1469. Bij de master groeide de instroom van 983 naar 2160 studenten. Die groei zit vooral bij de biotechnologie-, voedings- en levensmiddelenopleidingen. Naar verwachting (tot 2020) zet zich dit de komende jaren voort. De interesse blijkt wel uit de immense opkomst tijdens open dagen. Je kunt dan over de hoofden lopen.

Al die extra studenten moeten komende jaren een meesterproef uitvoeren: de masterthesis van minimaal zes maanden. Dit gebeurt vrijwel altijd bij een leerstoelgroep van Wageningen University, en altijd met een Wageningse begeleider. Ook de bachelor wordt afgesloten met een thesis, maar dan van drie tot vier maanden. Hiervoor duiken studenten vooral de boeken in. Slechts enkele studies stellen een praktijkonderzoek verplicht.

Tweede keus

Door de groeiende studentenaantallen komt dit systeem meer en meer onder druk te staan. ‘Het zit vol bij sommige leerstoelgroepen’, zegt Wilko van Loon, opleidingsdirecteur van Moleculaire levenswetenschappen. Studenten moeten steeds meer rondkijken en soms uitwijken naar hun tweede keus.’ Zijn eigen master en het ‘aangrenzende’ Biotechnologie groeiden flink. Dit gaat soms al ten koste van keuzevrijheid; studenten kunnen niet terecht bij de leerstoelgroep of het onderwerp dat ze het liefst ter hand nemen. Ondertussen hebben vakgroepen die minder aansluiten bij de interesses van studenten nog wel plek.

Hoewel de huidige problemen nog wel op te vangen zijn, kijken opleidingsdirecteuren al zenuwachtig naar de uitdagingen voor komende jaren. ‘Hoe blijven we de kwaliteit van de thesis garanderen: dat is een heel grote zorg’, zegt Ralf Hartemink, opleidingsdirecteur bij Levensmiddeltechnologie. Food technology is met 189 instromers (68 in 2006) de op een na grootste masteropleiding. Het zijn nu al uitdagende aantallen, zegt Hartemink, en straks komen er nog eens 70 studenten extra uit de bachelor, plus een eventuele toename van buitenlandse studenten.. Houd dan ook nog rekening met een eventuele toename van buitenlandse studenten. ‘Momenteel redden we het nog wel, de eerste grote problemen ontstaan over twee jaar.’ Ook de afdeling Humane voeding verwacht dat studentenaantallen rond die tijd problematisch worden.

Tiny van Boekel, directeur van onderwijsinstituut OWI, onderkent de problemen. ‘We merken dat de onderzoekscapaciteit niet meegroeit met de omvang van het onderwijs. Het aantal PhD-projecten loopt licht terug terwijl deze, zeker bij de bèta-leerstoelgroepen, gekoppeld zijn aan thesisprojecten.’ Niet alleen de hoeveelheid mankracht aan begeleiders wordt krapper. Er ontstaat steeds meer gedrang in beschikbare laboratoria en bij werkplekken. Veel leerstoelgroepen hebben al de afgelopen tijd ruimte moeten inleveren of gaan dat nog doen. De verhuizing van de Dreijen naar de campus is zo’n voorbeeld. Zo krijgt Microbiologie, dat nu al thesisstudenten afwijst, in de nieuwbouw Helix nog minder thesisplekken.

Het is goed dat discussie ontstaat over de goede manier om groei op te vangen, zegt rector magnificus Arthur Mol. Hij ziet nu nog geen redenen in te grijpen. Dat zou kunnen door bijvoorbeeld de begeleidingscapaciteit te vergroten met extra PhD-studenten. ‘Dat kost zo’n twee ton per PhD-student, daar kunnen we niet direct in meegaan.’ Bovendien krijgen leerstoelgroepen al een vergoeding per thesisstudent. Daarmee ligt de verantwoordelijkheid voor het verzorgen van de begeleiding vooral bij hen. Wel bekijkt een werkgroep of het tenure-trackprogramma flexibeler moet omgaan met mensen die relatief veel tijd steken in onderwijs.

Rector Mol ontvangt vooralsnog geen signalen over een tekort aan lab- en werkruimte voor thesisstudenten. Op dat thema ziet hij wel een centrale rol voor de universiteit. ‘Het kan natuurlijk niet zo zijn dat je studenten opneemt in een masterprogramma terwijl er geen fatsoenlijke afstudeerplekken zijn.’

Strikte afspraken

In de praktijk zien zowel Mol als Van Boekel dat er veel gebeurt om de groei op te vangen (zie kader). Met studenten worden steeds vaker strikte afspraken gemaakt die worden vastgelegd in thesiscontracten. Zoals een maximum aan tijd in het lab en een strakke inleverdeadline. Hiervan afwijken wordt steeds lastiger. ‘Onderzoekers worden ook steeds creatiever’, zegt Van Boekel, ‘ze weten altijd weer efficiëntieverbeteringen te vinden.’

Ook wordt gekeken buiten de universiteitspoorten. De DLO-instituten zijn een logisch startpunt, maar dan moeten studenten wel fundamenteel onderzoek doen. Van Boekel: ‘Het moet niet zo zijn dat studenten aan zaken werken die over drie maanden resultaat moeten opleveren.’

Ook opleidingsdirecteur Hartemink wil studenten graag hun thesis laten doen bij bijvoorbeeld Food & Biobased Research (FBR) en het NIZO. ‘Dit zijn maar een paar druppels op een gloeiende plaat.’ Onderzoek bij bedrijven is meestal niet academisch genoeg of moet vertrouwelijk blijven.

Rector Mol snapt de zorgen, maar hij wijst erop dat het lastig te voorspellen is hoe de groei zal verlopen. De ontwikkelingen gaan volgens Mol zo snel dat beleidsmakers telkens worden verrast. Zowel door nieuwe ontwikkelingen als de creativiteit van medewerkers. ‘Alles op de voet blijven volgen is het slimst. Van het maken van rigide plannen ben ik allang afgestapt.’


Student in de kring

De laatste jaren telt de universiteit steeds meer zogenaamde thesiskringen. Onder leiding van gevorderde onderzoekers becommentariëren thesisstudenten elkaars (schrijf)werk. Het schrijven levert namelijk vaak vertraging op. Dat zijn geen schoolse uurtjes om rendementen op te drijven, zegt Marian Vermue, ‘kringleider’ bij de leerstoelgroep Bioprocestechnologie. ‘Ik denk dat studenten juist meer leren door naar elkaars werk te kijken.’


Re:ageer