Wetenschap - 1 januari 1970

Technologie op maat wordt mainstream

Hij roept al jaren dat het overplanten van technologieën van ‘hier’ naar ‘daar’ onherroepelijk zorgt voor sociale problemen. Technologie die het ‘daar’ goed doet, moet ‘daar’ zijn ontwikkeld. Het was een moeilijke boodschap, die buiten de eigen parochie weinig gehoor vond. Maar nu ziet Guido Ruivenkamp het tij keren.

Het is weer eens iets anders dan dat er een straat naar je wordt vernoemd. De regering van India gaat vijftig PhD-studenten aan het werk zetten om het onderzoeksprogramma van prof. Guido Ruivenkamp, verbonden aan de Wageningse leerstoelgroep Technologie en Agrarische Ontwikkeling, uit te voeren. ‘Op 15 februari sloot de termijn waarin onderzoekers voorstellen konden indienen’, zegt Ruivenkamp, die het project zelf gaat coördineren. ‘In juni moet de eerste selectie klaar zijn. We willen nog dit jaar beginnen.’
In het project staat Ruivenkamps begrip ‘biotechnologie op maat’ centraal. De aio-projecten, waarvoor de Indiase regering een kleine zeven miljoen euro uittrekt, moeten uitmonden in technologie waarmee kleine boeren en voedselproducenten op hun eigen manier een stapje verder kunnen komen.

Kleinschalig
‘Wij hebben altijd al gehamerd op het belang van kleinschalige technologische oplossingen die zijn toegesneden op lokale situaties’, zegt Ruivenkamp. ‘We hebben ons altijd roependen in de woestijn gevoeld, maar nu komt er dan eindelijk een kentering.’
Die kentering blijkt bijvoorbeeld uit de toespraak die de Nederlandse minister-president Jan-Peter Balkenende op 18 januari uitsprak tijdens een bezoek aan India. Hij noemde Ruivenkamps project toen als een voorbeeld van een ‘partnership’, dat ‘in het veld van de biotechnologie’ liet zien ‘dat Nederland en India elkaar kunnen helpen, als gelijkwaardige partners’. De kentering blijkt ook uit het feit dat minister Laurens-Jan Brinkhorst van Economische Zaken in India heeft toegezegd dat hij het Nederlandse consulaat zal uitbreiden met een attaché die het project gaat begeleiden.
India ontwikkelt zich snel tot een economische grootmacht, waarmee Nederland graag goede betrekkingen wil opbouwen. Dat is één factor die Ruivenkamps aanpak de wind in de zeilen geeft. De andere is de twijfel over de geschiktheid van de Westerse agro-industriële biotechnologie voor India. De snel groeiende clusters van life science-bedrijven in India maken bovendien pijnlijk duidelijk dat India geen behoefte meer heeft aan betweters uit het Westen.
‘De Wageningse aanpak houdt echter in dat we niet alleen naar de technologie kijken, maar ook naar de manier waarop een samenleving die ontwikkelt en gebruikt’, zegt Ruivenkamp. ‘De aanpak van technologie ontwikkeld vanuit de samenleving is voor een land als India nog steeds de moeite waard.’
Dat het idee van ‘biotechnologie op maat’ bezig is mainstream te worden blijkt tenslotte ook uit Ruivenkamps hoogleraarschap aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, sinds april 2005. Ruivenkamp wil zijn aanstelling onder meer gebruiken voor het ontwikkelen van zijn wetenschap-in-de-samenleving-benadering.

Co-innovatie
‘Wat ik daarmee bedoel komt overeen met wat Martin Kropff onder co-innovatie verstaat’, zegt Ruivenkamp. ‘Grote delen van de wereld hebben geen behoefte aan technologie die wij als wetenschappers voor ze bedenken, of we nu voor een life science-bedrijf werken of voor een onderzoeksinstelling. De bewoners van die gebieden hebben meer aan technologie die we samen met hen bedenken. Die technologie zal beter zijn aangepast aan de omstandigheden waar die technologie zal worden gebruikt.’
Hoe dat in zijn werk gaat, illustreert het project dat Inref oktober 2005 goedkeurde. Inref staat voor het Interdisciplinary Research and Education Fund, het onderzoeksprogramma van Wageningen Universiteit dat de voedselproductie in de tropen in kleinschalige projecten verder wil helpen.
In het nieuwe Inref-project richten de sociaal-wetenschappers van de groep van Ruivenkamp zich samen met plantenwetenschappers en voedingswetenschappers op drie gewassen. Het gaat om lupine in Ecuador, mungbean in India en cow pea in West-Afrika. Lupine is een gewas dat verwant is aan de doperwt. Het is in bergstreken een belangrijke bron van eiwitten, maar de bonen bevatten ook veel alkaloïden die eerst moeten worden verwijderd voordat ze geschikt zijn voor consumptie. ‘Nu laten de bewoners de bonen zes dagen weken in water’, zegt dr. Daniël Danial van de leerstoelgroep Plantenveredeling, een partner in het project. ‘Daardoor lossen de alkaloïden op. Omdat water schaars is, gebruiken ze vaak water van slechte kwaliteit, waardoor er ziektekiemen in de bonen komen. Daarom werken we aan lupinevariant die minder alkaloïden bevat.’

Eetcultuur
De drie gewassen hebben met elkaar gemeen dat ze in de verdrukking komen door de mondialisering van de eetcultuur, vertelt prof. Tiny van Boekel, wiens leerstoelgroep Productontwerpen en kwaliteitskunde ook deelneemt aan het project. ‘In Benin eten jongeren bijvoorbeeld steeds meer rijst, en steeds minder traditionele producten op basis van cow pea. Tegelijkertijd zie je dat de Westerse snackcultuur in Afrika zijn intrede doet, waardoor cow pea-producten verder in het gedrang komen. Als je kijkt naar de voedingswaarde van rijst en cow pea is dit een ongewenste trend, want cow pea is een goede bron van eiwitten en mineralen. Misschien gaan we nieuwe producten op basis van cow pea ontwikkelen. Samen met lokale producenten, uiteraard, zodat we met iets kunnen komen waar ook daadwerkelijk vraag naar is.’
Een ander probleem waar zowel de plantenwetenschappers als de voedingswetenschappers aan werken is de aanwezigheid van fytaten in de gewassen. Die remmen de opname van mineralen. Veredeling of aangepaste bereidingswijzen kunnen de hoeveelheid fytaat verminderen, hopen de wetenschappers.
De rol van de maatschappijwetenschappers in de projecten is die van intermediair tussen wetenschappers en de lokale samenleving, die aangeven aan welke technologie de samenleving behoefte heeft. ‘De maatschappijwetenschappers verkleinen de kloof tussen de partijen’, zegt Danial. ‘We hebben nu een beter zicht op het belang van de lokale kennis. We begrijpen waarom de boeren doen wat ze doen. Dat zijn aspecten waarmee plantenveredelaars zich vroeger weinig hebben beziggehouden.’

Willem Koert

Meer informatie: www.tailoringbiotechnologies.com

Re:ageer