Organisatie - 23 april 2009

THERAPEUTISCH WERK VOOR TROPENKENNERS

Een handleiding oesterzwammen kweken in het Swahili. Een gids voor geitenhouders in het Frans, Engels of Portugees. De vrijwilligers van Agromisa maken al 75 jaar dergelijke boekjes, die ‘wereldberoemd’ zijn, ‘behalve in Nederland’. En ze beantwoorden honderden brieven van boeren uit ontwikkelingslanden. Ze hopen daar nog lang mee door te gaan, al kunnen ze momenteel wel wat jong bloed gebruiken.

Bram van Nieuwenhuizen is vrijwilliger bij Agromisa en schreef mee aan twee Agrodoks over paddenstoelen.
‘Een therapeutische bezigheid voor mensen die niet achter de geraniums willen zitten.’ Dat is ontwikkelingsorganisatie Agromisa voor Johan Koeslag. Vanwege een reorganisatie bij hogeschool Van Hall Larenstein ging hij in 2004 met de VUT. Hij vond het zonde om zijn jarenlange ervaring in ontwikkelingslanden ‘op de plank te leggen’ en ging bij Agromisa in Wageningen Agrodoks maken, praktische boekjes gericht op kleinschalige duurzame landbouw in ontwikkelingslanden.
Koeslag, specialist op het gebied van melkveehouderij, herschreef met twee vroegere collega’s een boekje over dairy cattle husbandry en is bezig aan een Agrodok over small scale goat production. ‘Dat is gewoon leuk’, zegt hij. ‘We hebben één keer per week redactievergadering – dan kunnen we gelijk bijpraten over ons prepensioen.’
Wat helpt bij het vrijwilligerswerk is dat Koeslag een groot praktijknetwerk heeft. Verder is hij actief in het Programma Uitgezonden Managers (PUM), een club mensen – ‘van hoefsmeden en bankiers tot bakkers en hotelmanagers’ – die hun kennis gratis ter beschikking stellen aan kleine bedrijven in ontwikkelingslanden. Namens deze club gaat hij twee keer per jaar op missie. ‘Dan heb ik altijd een stapeltje Agrodoks bij me – mensen zijn er happig op.’

VERTAALD IN HET SWAHILI
Ook pensionaris Bram van Nieuwenhuijzen, jarenlang directielid van de landbouwpraktijkschool PTC+ in Horst, combineert Agromisa met PUM. Hij schreef mee aan twee Agrodoks over paddenstoelen. ‘Er kwamen bij Agromisa vragen binnen over champignons en oesterzwammen, dat was de aanleiding.’ Het schrijven kostte de Wageningse alumnus meer tijd dan verwacht. ‘Je moet het teeltsysteem in Nederland loslaten en weer nadenken over de basisprincipes van de teelt en die simpel uitleggen. En omdat de teeltsituaties bij kleine boeren in de tropen zo uiteenlopend zijn, kun je geen blauwdrukken geven.’
De boekjes vallen in de smaak, ontdekte Van Nieuwenhuijzen afgelopen jaar bij een bezoek aan Ghana. En in Tanzania zijn ze inmiddels op verzoek in het Swahili vertaald.
Rik Hoevers, die een eigen consultancybedrijfje heeft op het gebied van landbouw en milieu, schreef vorig jaar met drie anderen een Agrodok over non-chemical crop protection. ‘Daar zijn we anderhalf jaar mee bezig geweest. Het is meer werk dan een wetenschappelijke publicatie, want je moet nieuwe wetenschappelijke inzichten steeds vertalen naar de praktijk. Je hebt er een flinke brok ervaring voor nodig.’

BRIEF VAN EEN PINDATELER
Hoevers heeft die ervaring opgedaan in ontwikkelingsprojecten en bij de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de VN. ‘Tien jaar geleden, toen ik terugkwam uit het buitenland, wilde ik iets doen met mijn ervaringen.’ Hij combineert zijn adviesbedrijfje nu met het schrijven van Agrodoks. Geen gekke combinatie, want soms leidt het vrijwilligerswerk tot betaald werk. ‘Vanuit Agromisa heb ik net een voorstel geschreven voor beheersing van de lisdodde in het stroomgebied van de Senegal rivier. Mogelijk komt hier een betaalde klus uit voort.’
De Agrodoks van Koeslag, Van Nieuwenhuijzen en Hoevers komen terecht in tenminste 79 landen: de voormalige Europese koloniën ofwel de ACP-landen. Dat komt door de samenwerking van Agromisa met het Centre Technique Agricole (CTA), de in Wageningen gevestigde EU-organisatie voor kennisoverdracht aan de ACP-landen. Dit jaar komt de vijftigste Agrodok uit, die standaard verschijnt in het Engels, Frans en Portugees. In de afgelopen jaren werden er gemiddeld zo’n 35 duizend exemplaren per jaar gedrukt, dit jaar verwacht Agromisa een oplage van tachtigduizend. ‘Het loopt goed’, zegt Roy Keijzer.
Keijzer heeft in Deventer en in Wageningen gestudeerd, was tussen 1975 en 1992 actief in het ontwikkelingswerk in Afrika en deed geregeld vrijwillige klussen voor Agromisa. Sinds 2001 zit hij in het managementteam. De dagelijkse kern bestaat verder uit Eva Kok, twee parttime office managers en een handjevol trouwe vrijwilligers. De teamleden hebben allemaal ‘iets met de tropen en met Wageningen’ gedaan.
Zij beantwoorden – tussen het schrijven van de Agrodoks door – jaarlijks ruim tweehonderd vragen van boeren. Zo kwam er deze week een brief van een ondernemer op Cyprus die slakken wil kweken voor de exportmarkt. Hij krijgt van Agromisa het boekje over kleinschalige slakkenhouderij in Afrika, dat de vrijwilligers net vorig jaar hebben gemaakt. In een andere brief beschrijft een Keniaanse teler van sinaasappels en mango’s een ziekte in zijn gewassen, in de hoop dat Agromisa de oorzaak weet. En een pindateler uit Niger wil weten welke mest hij het beste kan gebruiken.

JONGEREN NODIG
Veelgestelde vragen leiden van tijd tot tijd weer tot nieuwe boekjes - de boekjes die Agromisa volgens Hoevers wereldberoemd hebben gemaakt, behalve in Nederland. ‘De publicaties van Agromisa vervullen een belangrijke functie. Praktische landbouwkennis komt erdoor beschikbaar voor het middenkader in ontwikkelingslanden – voorlichtingsdiensten en ngo-medewerkers die deze kennis op hun beurt bij kleine boeren brengen. Met alleen onderzoek en academisch onderwijs, zoals Wageningen UR doet, ben je er niet.’
Agromisa en Wageningen UR worden buiten Nederland overigens vaak met elkaar in verband gebracht, zegt Hoevers. En dat terwijl de band tussen de universiteit en de vrijwilligersorganisatie sinds de jaren negentig sterk is verwaterd. ‘Vroeger was het makkelijker om bij leerstoelgroepen, het IAC en de praktijkscholen aan te kloppen als we vragen hadden of iets wilden organiseren’, zegt Keijzer. ‘Door de toegenomen professionalisering, waarbij uren op projecten moeten worden weggeschreven, zijn de vrijwillige bijdragen afgenomen. We kunnen nog steeds aankloppen bij sommige oud-tropengangers, maar echte samenwerking is er niet meer.’
Keijzer wil de band met de universiteit en studenten graag weer aanhalen. ‘We hebben jongeren nodig met nieuwe ideeën. Onze kennis over de landbouw in het Zuiden raakt langzamerhand gedateerd.’ Hij overlegt al met de studentenclubs stichting OtherWise, Movie W en de Boerengroep, maar praktische samenwerking heeft dat nog niet opgeleverd. De studenten van nu hebben minder tijd voor vrijwilligerswerk. Ze komen alleen bijklussen bij Agromisa als de universiteit ze er studiepunten voor geeft, denkt Hoevers. En dat zit er niet in.
Toch ziet Keijzer wel kansen. ‘Er kloppen regelmatig studenten aan die stage willen lopen. Meestal zeggen we nee, omdat het ons veel tijd kost en de begeleiding uit de instelling vaak onvoldoende is. Toch willen we dat verder ontwikkelen, zeker als er fondsen voor beschikbaar komen.’ HULP AAN MISSIONARISSEN
Van de circa 65 vrijwilligers die voor Agromisa werken hebben de meesten grijze haren. Dat is ooit anders geweest. De ontwikkelingsorganisatie ontstond in 1934 uit KSV St. Franciscus. De leden van deze katholieke studentenvereniging hielpen missionarissen die met landbouwkundige vragen zaten.
In de jaren tachtig was het doel verbreed – landbouwkundige kennis beschikbaar stellen aan boeren en het middenkader in ontwikkelingslanden – maar werd de organisatie nog steeds geleid door studenten. Bekende Nederlander Louise Fresco bracht er in haar studietijd veel uren door.
Tien jaar geleden ging Agromisa professionaliseren en meer projecten binnenhalen. Hierdoor groeide de organisatie tot tien parttime medewerkers. Na ongeveer zes jaar leed die ambitie schipbreuk, toen de minister van Ontwikkelingssamenwerking de subsidie introk. ‘We moesten concurreren met waterprojecten die precies konden aangeven hoeveel Afrikanen er profiteerden van hun waterputten’, vertelt het toenmalige bestuurslid dr. Niels Louwaars van Agromisa. ‘De impact van het toegankelijk maken van praktische landbouwinformatie was veel lastiger aan te geven.’
Na de subsidiestop trad het toenmalige bestuur af en nam een team van vier betaalde medewerkers en een handvol trouwe vrijwilligers de leiding over.
Agromisa is gehuisvest op Duivendaal, in een pand van Wageningen UR.

Re:ageer