Wetenschap - 14 juni 2001

Studie van milieubeleid wekt buitenlandse interesse

Studie van milieubeleid wekt buitenlandse interesse

De gouden tijden lijken voorbij voor wie zich in Wageningen met milieu bezighoudt. In haar hoogtijdagen had de studie Milieuhygi?ne bijvoorbeeld 160 studenten, nu is die studie afgeschaft. Maar schijn bedriegt. Want in het buitenland wekt het werk van Wageningse onderzoekers Milieubeleid grote interesse. De collegezalen zitten dan ook weer vol. Niet met Nederlandse, maar met buitenlandse studenten. De nieuwe hoogleraar milieubeleid prof. dr. ir. Tuur Mol en collega prof. dr. ir. Gert Spaargaren leggen uit wat de buitenlanders aantrekt.

Het is tijd dat het milieubeleid zich aanpast aan de moderne tijd. Dat is de kern van de theorie van de ecologische modernisering, waarvan Mol een van de grondleggers is. In het verleden was milieubeleid het exclusieve terrein van de overheid. Zij bepaalde wat de problemen waren en ambtenaren maakten daar beleid op. In zijn inaugurele rede, die hij op 31 mei uitsprak, maakt Mol duidelijk waarom dat niet meer aan de orde is. Het belangrijkste doel van milieubeleid is fysieke ontkoppeling, wat wil zeggen dat milieuvervuiling los komt te staan van economische groei. In Nederland slagen we gedeeltelijk in die ontkoppeling. Zo is de uitstoot van verzurende stoffen sterk gedaald tussen 1985 en 2000, terwijl de economie groeide. Gaat het om het beperken van de uitstoot van broeikasgassen, dan gaat dit verhaal echter niet op. Ook andere Europese landen slagen nauwelijks in een fysieke ontkoppeling op dit gebied.

Mol betoogt dat nieuwe technologie belangrijk is in het nastreven van de fysieke ontkoppeling. Maar belangrijker nog is de manier waarop er ruimte wordt gemaakt om die technologie toe te passen binnen bestaande productieprocessen. Daarom moet het milieubeleid niet gericht zijn op de technische problemen, maar op de maatschappelijke processen die de vervuiling veroorzaken. Dat laatste noemt Mol sociale koppeling.

Groen poldermodel

Die processen in de samenleving veranderden nogal de afgelopen decennia. De industrie ging van een gestandaardiseerde massaproductie naar meer diverse productie voor verschillende leefstijlen. De overheid heeft minder zeggenschap omdat de Europese Unie meer invloed kreeg. Mol: "Hoe vrij bleek Brinkhorst nou nog om de MKZ-crisis met een Nederlands beleid aan te pakken?" Aan de andere kant kregen juist lokale overheden meer te zeggen. Gemeenten werden bijvoorbeeld verantwoordelijk voor de milieuinspectie. En consumenten en burgers kregen een belangrijker stem. Mol: "Lange tijd was het milieubeleid gericht op de industrie. Nu wordt het meer gericht op de consument. Maar die consument is nog grotendeels een black box. We willen onderzoek gaan doen dat die black box openbreekt. Wat willen verschillende groepen consumenten, waarom verenigen sommigen zich om duurzaam te gaan wonen of recre?ren?" Een laatste verandering is dat milieuorganisaties niet meer alleen criticasters zijn, maar worden betrokken in het maken van milieubeleid.

Vanaf de jaren tachtig past het milieubeleid zich hier op aan. Zo ontstaat er een groen poldermodel. De overheid wordt minder sturend en meer manager van groepen betrokkenen, die samen tot beleid komen. Mol stelt in zijn rede dat een dergelijk beleid alleen succesvol is als het gebaseerd is op een analyse van de maatschappelijke processen die vervuiling veroorzaken. Een mestuitrijdende boer in de Peel en een transnationaal chemisch concern in Rijnmond dragen beide bij aan verzuring van het grondwater in de streek. Maar de oorzaken van vervuiling zijn anders en die behoeven dus ook ander beleid. Werk voor de onderzoekers van het milieubeleid dus.

Ontwikkelingslanden

Mol ziet vooral mogelijkheden voor deze theorie in ontwikkelingslanden. Dat blijkt ook uit het grote aantal buitenlandse studenten en onderzoekers dat de leerstoelgroep trekt en die de afname van Nederlandse studenten deels goedmaakt. Met name uit Vietnam, China en Indonesi? komen veel belangstellenden. Begrijpelijk, zegt Mol, want in die landen voltrekt zich nu een vergelijkbare industri?le ontwikkeling als eerder in het westen. Als het milieubeleid van meet af aan aangepast wordt aan de processen van vervuiling in de samenleving, kunnen de fouten die hier gemaakt zijn vermeden worden. Mol deed onderzoek in Vietnam, China en Nepal en breidt dat nu uit naar Maleisi? en Thailand.

Spaargaren werkt vier dagen in de week bij dezelfde leerstoelgroep als Mol. Hij legt uit dat het thema milieu veel mogelijkheden biedt voor interdisciplinair onderzoek en onderwijs. "Dat staat nu opnieuw in de belangstelling van de bestuurders van de universiteit. Veel maatschappelijke problemen als klimaatverandering, verdroging en verzuring vragen ook om inbreng van verschillende disciplines." Spaargaren is naast zijn werk in Wageningen voor een dag in de week aangesteld als bijzonder hoogleraar Beleidsmatige aspecten van de natuur- en milieu-educatie aan de Katholieke Universiteit Brabant. Die leerstoel is een initiatief van de Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, IVN. Ook in het werk van Spaargaren in Tilburg gaat het niet alleen om de manier waarop de overheid een voorlichtingscampagne kan opstellen of hoe kinderen op school met de natuur vertrouwd kunnen raken. Spaargaren kijkt bijvoorbeeld ook naar de manier waarop mensen - boeren en burgers - gezamenlijk een contract afsluiten om groene stroom af te nemen, waarbij ze ook zelf deelnemen aan het opwekken van die groene stroom.

Joris Tielens

Re:ageer