Wetenschap - 1 januari 1970

Stofwisselingsstoornis bedreiging voor vleeskuiken

Stofwisselingsstoornis bedreiging voor vleeskuiken

Stofwisselingsstoornis bedreiging voor vleeskuiken

De zorg om een toenemend aantal niet-pathogene ziekteverschijnselen bij vleeskuikens was aanleiding voor het Productschap voor Pluimvee en Eieren om deze problematiek te laten inventariseren. De aandacht werd met name gericht op stofwisselingsstoornissen, die op verschillende manieren een nadelig effect binnen de bedrijfstak hebben. Daarbij gaat het om: 1) orgaanafwijkingen bij slachten, zoals levercirrose en oedeemverschijnselen rond hart, longen en lever; 2) een verminderde weerstand tegen variabele omgevingsfactoren resulterend in een verhoogde uitval, bij zowel een lage als bij een hoge temperatuur op kuikenniveau; 3) een verminderd welzijn van de dieren door niet goed functionerende organen (hart, lever, darmstelsel en longen)

De inventarisatie van deze problematiek heeft uiteindelijk geresulteerd in het AKK-project Vitale vleeskuikens door aangepast management en toepassing van genetica. Het Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid, Praktijkonderzoek Pluimveehouderij Het Spelderholt en het Landbouw-Economisch Instituut (LEI-DLO) hebben in samenwerking met Euribrid en UTD Mengvoeders (nu Hendrix-UTD) dit project uitgevoerd

Bij het begin van het project was duidelijk dat kuikens die volop gevoerd worden om zo snel mogelijk te groeien, de meeste kans hadden op stofwisselingsstoornissen, zoals orgaanafwijkingen, vochtophoping rond de organen (ascites), hartfalen en doodgroeiers. De eerste vraag die ons van verschillende kanten bereikte, was of dit als een signaal gezien moest worden dat de grenzen aan de groei bereikt waren, of dat er sprake is van een onbalans in het functioneren van de verschillende fysiologische processen. In het eerste geval is er geen andere oplossing dan het afremmen van de groei van de kuikens via de fokkerij en houderij. In het tweede geval kunnen we het dier via de fokkerij weer in balans brengen, zonder een beperking aan de groei

Uit de resultaten van het onderzoek in de eerste fase bleek dat het sturen van de groei door beperking van de voergift voor de vleeskuikenhouder een belangrijk middel is om de kans op uitval door orgaanafwijkingen, ascites, doodgroeiers en hartfalen te verminderen. Het beperken van de groei had echter een negatieve invloed op het rendement bij de slachterij en is daardoor niet goed voor het financieel rendement in de keten. Door het onderzoek en de interviews met vleeskuikenhouders werd de praktijk geattendeerd op de noodzaak van voldoende ventilatie en een goede klimaatregeling. Daarnaast werd de vleeskuikenhouder geadviseerd de voeropname te beperken wanneer zich problemen voordoen met ascites en hartfalen

In de tweede onderzoeksfase is bij tien verschillende kuikenlijnen onderzocht hoe het lichaam zich in de loop van de tijd ontwikkelt en wat het verband is met de gevoeligheid voor ascites. Zowel het beperken van de voeropname op een vroege als op een late leeftijd, blijkt weliswaar een geschikte methode te zijn om de gevoeligheid voor ascites te verminderen, maar de groeiachterstand is een knelpunt voor de economische haalbaarheid. Het probleem bij dit onderzoek op de proefbedrijven met relatief kleine proefeenheden is dat de groei van de kuikens wordt gemeten bij zeer goede proefomstandigheden, zoals een lage ziektedruk, goede klimaatbeheersing en veel controle. Onder dergelijke optimale omstandigheden kunnen kuikens grote hoeveelheden voer zonder problemen verteren en benutten. Een beperking van de voergift zal in die omstandigheden daarom altijd een vertraging van de groeisnelheid geven

Alle processen in het lichaam kosten energie, of het nu gaat om onderhoud, warmteproductie of groei. Hiertoe moet niet alleen de benodigde energie via het voer worden opgenomen, maar moet ook genoeg zuurstof via het bloed worden aangevoerd. Via het onderzoek is nu duidelijk geworden dat de huidige vleeskuikens daar zeker niet altijd aan voldoen. Vastgesteld is dat bij vleeskuikens die onbeperkt gevoerd worden, problemen kunnen ontstaan met de energie- en/of zuurstofvoorziening op orgaanniveau

Het afremmen van de groei, speciaal op jonge leeftijd, door vermindering van voer per dag of door verlaging van het gehalte aan lysine geeft minder kans op stofwisselingsstoornissen. Door het afremmen van de groei wordt daar relatief gezien minder energie en zuurstof voor gevraagd en blijft daardoor meer energie en zuurstof over voor de ontwikkeling van de organen en voor de arbeid die ze leveren (onderhoudsprocessen). Op jonge leeftijd is het belangrijk dat organen zich goed kunnen ontwikkelen ter ondersteuning van de latere vleesproductie. Dit verklaart waarom kuikens die volop gevoerd worden bij lage staltemperatuur de meeste risico's lopen en kuikens die via het voer in de groei geremd worden relatief gezien weinig risico lopen

Er zijn duidelijke verschillen tussen lijnen in erfelijke aanleg in gevoeligheid voor stofwisselingsstoornissen. Een hogere aanleg voor snelle groei en voor een efficiƫnte energieaanzet betekent een hoger risico voor het ontstaan van orgaanafwijkingen (ascites) en ook voor vergelijkbare stofwisselingsproblemen. Dat betekent dat de selectie op het verhogen van de groeisnelheid gepaard dient te gaan met selectie op het verminderen van de gevoeligheid voor stofwisselingsstoornissen


Cor Scheele, DLO-Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid (ID-DLO)

Re:ageer