Wetenschap - 25 augustus 2010

Stinken voor de seks

Wilbert Hetterscheid heeft de ontdekking van zo'n zestig nieuwe Amorphophallussen op zijn naam staan. Dat maakt hem onbetwist tot 's werelds grootste kenner van de bizarre wereld van de 'vormeloze penissen'. Hoogste tijd voor een proefschrift.

Wilbert Hetterscheid in de kelder van het Herbarium met bloeiwijzen van Amorphophallus in alcohol.
Ja, op feesten en partijen doet hij het goed, lacht Hetterscheid. Zijn passie voor het plantengeslacht Amor­phophallus werkt altijd op de lachspieren. Het zij zo, hij heeft de term niet zelf bedacht. Dat deed de Nederlandse botanicus Carl Ludwig Blume in 1825, die een exemplaar van dit plantengeslacht in Indonesië tegenkwam. Maar treffend is die wat scrabreuze geslachtsnaam wel. Veel fantasie is daar niet voor nodig.  
Hetterscheid, tot voor kort curator van de Wageningse botanische tuinen en de tropische kas en inmiddels directeur van het Von Gimborn Arboretum in Doorn, wijdt al twintig jaar zijn vrije tijd aan de Amorphophallussen. Waarom? 'Het is eigenlijk puur emotie. Ik kreeg als student biologie in Utrecht al interesse in 'het vreemde' in de plantenwereld. Bolgewassen met hun vreemde ritmes van groei en bloei. Daar kwam op een gegeven moment de Amorphophallus bij, het kroonstuk van vreemd.'
Collectie
Wie in Wageningen bloeiende Amorphophallussen wil zien, is te laat. Met het afstoten van de tropische kas is ook de collectie van Hetterscheid verdwenen. Hij heeft ze ondergebracht bij de universtiteit van Hamburg. Maar dode materie is er nog genoeg. In de kelders van het Herbarium op De Dreijen staan zo'n 1500 potten met bloeiwijzen op alcohol. 'Mijn sapcollectie', noemt Hetterscheid het gekscherend. De collectie zal op termijn naar Leiden verkassen.
Amorphophallussen behoren tot de familie van de aronskelken. Er zijn nu zo'n tweehonderd soorten beschreven, waarvan ruim zestig door Hetterscheid. 'En het gaat gewoon door. Ik denk dat we wel op driehonderd uit gaan komen, maar 250 is zeker haalbaar.' Dat er nog steeds nieuwe bijkomen, heeft volgens Hetterscheid te maken met de typische cyclus van de plant. 'De bloei is maar heel kort, hooguit een weekje. En in die week moet je er maar net tegenaan lopen. Het blad alleen zegt namelijk niet zoveel. Je moet de bloei erbij gezien hebben, anders loop je er zo aan voorbij.'
Promotie
Het proefschrift waar Hetterscheid al twintig jaar aan werkt, is in de kern een taxonomische revisie. Een geslachtsbeschrijving dus. 'Dat is voor het laatst gebeurd in 1924 en sindsdien door niemand meer.' Op aandringen van het Herbarium in Leiden - 'We hebben iemand nodig die daar eens goed naar gaat kijken' - raakte Hetterscheid verzeild in een langdurig promotietraject.
Die lengte is verklaarbaar. Hetterscheid heeft zijn onderzoek volledig in zijn vrije tijd moeten doen. 'Bijkomend probleem is het enorme verspreidingsgebied van deze plantengroep. Dat levert normaal gesproken een hoop veldwerk op, want van herbaria moet ik het niet hebben. Daar vind je alleen maar platgeslagen Amorphophallussen en dat levert weinig informatie op.'
Hetterscheid besloot het daarom anders aan te pakken en niet zelf op zoek te gaan. 'Ik liet de planten naar mij toe komen.' Via een uitgebreid netwerk van contacten legde hij in de loop der jaren een grote verzameling 'vormloze penissen' aan. 'Dat heeft me drie jaar reizen bespaard', weet hij zeker. De laatste zeven jaar huisde die collectie in de tropische kas in Wageningen, zo'n 1500 planten verdeeld over 150 verschillende soorten, van een paar centimeter boven de grond tot meters hoog.
Uitpluizen
Maar Hetterscheid deed veel meer dan verzamelen, beschrijven en inventariseren. Hij schakelde links en rechts onderzoekers in om deelaspecten uit het leven van de planten uit te pluizen. Neem de geur bijvoorbeeld. Amorphophallussen zijn erkende stinkerds. Ze rieken in de korte bloeiperiode sterk naar rottend afval, schimmel, lijken, riool en stront. Maar gek genoeg zijn er ook soorten die naar onze maatstaven juist lekker ruiken, naar anijs, appels of zuurtjes.


De planten ruiken niet zomaar. Al die moeite om te geuren dient een duidelijk doel: seks. 'Planten doen over het algemeen in traagheid hun ding', legt Hetterscheid uit. 'Maar Amorphophallussen leggen op bepaalde punten een enorme snelheid aan de dag. Dat is met name zo bij de geurontwikkeling. Op de eerste dag van de bloei opent zich de beker of bestuivingskamer. Dan moet de plant bestuivers aantrekken. De geur moet dus vluchtig worden, die moet naar buiten.'
Kachel aan
De plant zet op dat  moment de kachel aan. 'Cellen in de bloeikolf (zie illustratie) zitten tjokvol met zetmeel en mitochondriën. Die mitochondriën zetten het zetmeel om in warmte. Dat gaat enorm snel. In een paar uur zijn die cellen volkomen opgebrand. Letterlijk kapot. Dan is het feest voorbij.' Het effect van die snelle verbranding is dat delen van de plant wel 15 graad warmer worden. Warm genoeg om geurstoffen snel te doen verdampen en de plant onweerstaanbaar te maken. Voor sommige bestuivers tenminste.
Uitverkoren insecten worden als een magneet naar die geur getrokken. Omdat ze denken dat er wat te halen valt of dat ze er eieren kunnen leggen. Eenmaal gevangen in de bestuivingskamer is er voorlopig geen ontkomen meer aan. Daar hebben Amorphophallussen zo hun methodes voor. De wanden zijn bijvoorbeeld zo glad dat ontsnappen niet gaat. Maar het kan ook vriendelijker. Er zijn volgens Hetterscheid ook soorten die zorgen voor een gastvrij onthaal. 'Tussen de bloemen bevinden zich dan steriele exemplaren barstensvol eiwitten. Die maaltijd zorgt ervoor dat de bestuiver wel even blijft.' Na de bestuiving verandert er het een en ander zodat het insect de kraamkamer kan ontsnappen.
Kameleon
Het is die ongebreidelde diversiteit en aanpassingskunst die Hetterscheid al een leven lang boeit. En dan heeft hij nog niet eens verteld over de schutkleuren van zijn planten. 'Het vlekkenpatroon op de bladeren. Een aantal soorten imiteert bijvoorbeeld houtachtigen. Ik heb foto's laten zien aan experts die zeker wisten dat het takken met korstmossen waren. Maar het was blad van Amorphophallus. Het is de kameleon van het plantenrijk.'
Hetterscheid heeft ook wel een idee hoe die diversiteit is ontstaan. 'Amorphophallussen zijn pioniers. Je ziet ze aan de randen van het bos en op verstoorde plekken in het bos. Plekken die snel en krachtig gekoloniseerd worden. De voortplantingsdrift is erg groot. Dat biedt de mogelijkheid tot experiment en variatie, een kans om snel re reageren op veranderende omstandigheden. Amorphophallussen zijn enorme aanpassers en survivors. De vraag is natuurlijk: hoe doet het genoom dat? Daar ben ik niet aan toegekomen.'
Maar het proefschrift gaat er komen; waarschijnlijk begin volgend jaar. De hoofdstukken zijn in concept klaar. 'Het moet er maar eens van komen', vindt Hetterscheid. Er zijn zelfs al plannen voor een publieksversie.

Zweetvoeten
Het geslacht Amorphophallus heeft een uitgebreid geurpalet. Ze ruiken zuurtjesachtig bijvoorbeeld, naar anijs, dood vlees of zweetvoeten. Maar ook naar citrus, banaan, appel, gebakken vis, LPG of rottend afval.
Hetterscheid onderscheidt twaalf verschillende geurgroepen. Op basis van chemische analyse deelt hij de geuren in twee groepen in: complexe geuren die bestaan uit een rijk mengsel van organische alcoholen en eenvoudiger geuren die door één stof worden gedomineerd. In de laatste categorie vallen bijvoorbeeld de lekkere luchtjes (appel, zuurtjes, anijs) die chemisch gezien acetaten zijn. In de vieze kadavergeuren spelen organische alcoholen een grote rol.
Hetterscheid ontdekte een overeenkomst tussen de geur en het uiterlijk van Amorphophallussen. 'Lijkengeur blijkt vaak samen te hangen met een donkergekleurde bloeiwijze, alsof de plant een kadaver imiteert. En dat trekt een bepaald soort bestuivers aan.' In dat samenspel speelt ook de vorm van het stuifmeel een rol. 'Die hele complexiteit van correlaties tussen de soort Amorphophallus, de geur van de bloeiende plant en de vorm van het stuifmeel was nog niet bekend. In ieder geval niet in die mate van detail en variatie. Dit is wel een heel raar stelletje hoor.'

Re:ageer