Organisatie - 6 maart 2008

Stichtelijke openingstoespraak wekt wrevel

De Landbouwhogeschool en het weekblad De Dageraad voerden jarenlang allebei een zaaier als symbool. Maar dat betekent niet dat ze het altijd met elkaar eens waren. De stichtelijke toon van de toespraak die president-curator Schelto van Citters hield bij de oprichting van de LH op 9 maart 1918, viel bij het blad niet in goede aarde. ‘Dat dergelijke onzin in de twintigste eeuw nog verkondigd durft te worden.’

Statieportret van hoogleraren en notabelen op het bordes van het Wageningse stadhuis op 9 maart 1918. Vooraan in grijs kostuum prins Hendrik. De derde persoon rechts van de prins is jonkheer Van Citters, die de gewraakte toespraak hield.
‘De dag van 9 Maart 1918 zal ongetwijfeld met gulden letters in de geschiedenis van onzen vaderlandschen landbouw worden opgeteekend’, zo begint het liberale landelijke ochtendblad De Nieuwe Courant haar verslag over de officiële opening van ‘de tot Landbouw-Hoogeschool verheven instelling te Wageningen’. Het blad, in 1923 overgenomen door het NRC, spreekt de verwachting uit dat de hogeschool ‘niet alleen ten zegen kan strekken van den boerenstand, maar ook van ons geheele volk’.
De opening van de Landbouwhogeschool leidt tot een landelijke publiciteitsgolf. In het historisch archief van Wageningen UR zijn vooral lovende persuitingen bewaard, maar daartussen zit ook één zeer kritisch artikel uit weekblad De Dageraad, de spreekbuis van de Nederlandse vrijdenkers. Onder de kop ‘Het comediespel te Wageningen’ wordt fel van leer getrokken tegen het feit dat de opening van de LH plaatsvond in de kerk van de Nederlands Hervormde Gemeente. ‘Eerst werd een toespraak tot de genoodigden op het stadhuis gehouden en, alsof dit niet mooi genoeg was, ging men het daarna nog eens dunnetjes overdoen in de kerk. De ‘Lieve Heer’ mocht niet vergeten worden, zijn zegen moest over het werk afgesmeekt worden.’
Het blad is vooral vernietigend over de toespraak van jonkheer mr. Schelto van Citters, die als president-curator – zeg maar voorzitter van de raad van toezicht – inderdaad een opmerkelijk stichtelijk betoog hield. Van Citters, destijds Commissaris der Koningin in Gelderland, richtte zich speciaal tot degenen ‘die geroepen worden hier de wetenschap te beoefenen’. ‘Het is een groot voorrecht het leven te mogen wijden aan de studie der natuur; steeds dieper te mogen indringen in het wonderwerk der schepping’, aldus Van Citters. Hij benadrukte echter wel : ‘Indien dit slechts geschiedt in den geest van nederigheid, in het besef dat het God is, die de wetten in het rijk der natuur gesteld heeft en dat elke vordering der wetenschap, elke nieuwe ontdekking een ruimer blik geeft in den onnaspeurlijken rijkdom van het scheppingswerk, zóó, dat ook in eigen ziel opleeft de lofkreet van den gewijden dichter: Heer, onze Heer, hoe heerlijk zijn Uwe werken op de gansche aarde.’
‘Dat dergelijke onzin nog in de twintigste eeuw bij de officiëele opening van een openbare school verkondigd durft te worden, bewijst wel voldoende hoe noodzakelijk het nog steeds is den godsdienst te bestrijden’, schrijft De Dageraad. ‘Wat weet jhr.mr. S. van Citters af van een god, die de wetten in het rijk der natuur gesteld heeft? Is hij soms bij den ‘Lieven Heer’ op visite geweest, dat hij zoo goed omtrent het doen en laten van hem op de hoogte is?’
De ondertitel van De Dageraad – ‘weekblad tot zedelijke en verstandelijke ontwikkeling van den mensch en tot bestrijding van den godsdienst in al zijn vormen’- verklaart wellicht de felle toon van de berichtgeving. Het protestants-christelijke Friesch Dagblad haalt ook dezelfde woorden van de president-curator aan, maar dan juist lovend: ‘Zulke een woord op zijn pas, geeft hem die het sprak, recht op onze warmen dank’. Het Friesch Dagblad verschijnt nog immer. De Dageraad hield in 1925 op te bestaan.

Re:ageer