Organisatie - 1 februari 2007

Sterflats: niet gepland en ongewenst

De sterflats zijn misschien typisch Wagenings, maar echte liefdesbaby’s waren het niet. Hun komst was eigenlijk niet gepland, en tegenstanders voorspelden zelfs dat ze zouden leiden tot ‘ontwrichting van de studentenmaatschappij’.

‘Mannenflat’ Hoevenstein in aanbouw.
In de eerste helft van de vorige eeuw woonden de meeste Nederlandse studenten bij een hospita of bij hun ouders. Door de explosieve groei van het aantal studenten aan het begin van de jaren vijftig ontstond echter een heel nieuwe situatie. De landelijke Studentenraad sprak in 1955 zelfs van een ‘noodtoestand’. De onderwijsminister belastte daarom een commissie met het vraagstuk van de woningnood onder studenten.
De commissie oordeelde dat er studentenhuizen moesten komen. Niet alleen vanwege het kamertekort, maar ook om educatieve redenen. De toekomstige afgestudeerden moesten immers kunnen organiseren en leidinggeven. Deelname aan het studentenleven – en dus wonen in de studiestad – was hiervoor een eerste vereiste. De overheid tastte in de buidel, en het Nederlandse bedrijfsleven schraapte een bijdrage van zo’n drie miljoen gulden bijeen.
Tegen deze achtergrond werd bijna vijftig jaar geleden in Wageningen de Stichting Studentenhuisvesting (SSH-W) opgericht, de voorloper van Idealis. Die wierp zich als één van de eerste in Nederland met verve op de bouw van studentenflats. Maar dit werd niet overal met gejuich ontvangen. Zo schreef studentencorps Ceres in 1955 in een open brief: ‘Het bouwen van studentenflats in steden waar het nihilisme (het niet lid zijn van een studentenvereniging, GvM) welig tiert is wellicht te verdedigen, maar in Wageningen, waar meer dan 95 procent van de studenten lid van een gezelligheidsvereniging is, ligt de toestand geheel anders. De bouw van dergelijke flats zou hier een volkomen ontwrichting van de studentenmaatschappij betekenen.’
Toen de eerste studentenflat aan de Nobelweg in 1959 klaar was, weigerden Wageningse studenten dan ook in de ‘kippenhokken’ te gaan wonen. Deze boycot was echter lastig vol te houden toen de woningnood toenam. De groei van de studentenpopulatie was enorm. In 1958 stonden zo’n achthonderd studenten in Wageningen ingeschreven, in 1979 bijna zesduizend.
De vier sterflats die werden gebouwd aan de noord- en westrand van Wageningen waren een geschenk uit de hemel. Ze waren eigenlijk bedoeld voor gezinnen, maar toen de eerste twee flats in de wijk de Nude klaar waren, bleek de belangstelling gering. De opdrachtgever trok zich terug en de gemeente zat in de maag met de bouwplannen voor nog twee flats. Daar werd toen een creatieve oplossing voor bedacht: architect Tol maakte de flats geschikt voor studenten. Zo ontstonden Hoevenstein (1970), een flat die oorspronkelijk alleen voor mannelijke studenten bedoeld was, en Asserpark (1969), waarvan de bovenste vijf verdiepingen waren gereserveerd voor studentes.
De Bornsesteeg (1973) moest de eerste sterflat worden voor gehuwde studenten met koppelbare kamers, maar dat liep uit op een mislukking. Uiteindelijk werden ook nog een vierde en vijfde sterflat gerealiseerd: Dijkgraaf (1977) en Rijnsteeg (1978). Mede dankzij de ruim 2500 sterflatkamers kon Peter van der Schans, destijds voorzitter van de SSH-W, in 1983 trots verklaren: ‘Niemand behoeft zich van een Wageningse studie te laten afhouden omdat hij ter plaatse geen woonruimte kan vinden.’
Ondertussen zijn er alweer ruim zeshonderd kamers verdwenen omdat Rijnsteeg is gesloopt. Grote afdelingen met kleine kamers passen niet meer in deze tijd, meent Idealis, en daarom moet de jongste sterflat plaatsmaken voor eigentijdsere woningen voor studenten en pasafgestudeerden. Het besluit werd niet overal met gejuich ontvangen.

Re:ageer