Wetenschap - 23 mei 1996

Stelling over heide-vergrassing zorgt voor tumult bij promotie

Stelling over heide-vergrassing zorgt voor tumult bij promotie

De vergrassing van heide is op de meeste bodems niet het gevolg van de verhoogde stikstofdepositie in Nederland, maar hoort bij de natuurlijke overgang van heide naar bos. Deze stelling poneerde dr W.H. Diemont begin mei bij zijn promotie. Daarmee zorgde hij voor enig tumult.


Veel promoties zijn voor buitenstaanders saai. Opponenten wijzen op kleine onvolkomenheden in de thesis die de aanstaande doctor beleefd verdedigt. Van een spetterend debat is zelden sprake. Maar saai was het allerminst toen dr W.H. Diemont op 3 mei zijn proefschrift verdedigde.

De 51-jarige bodemkundige, werkzaam bij het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN-DLO), heeft zich de afgelopen twintig jaar, met korte en lange tussenpozen, beziggehouden met heidebeheer. Hij begon zijn onderzoek halverwege de jaren zeventig, toen het bestaande heidebeheer net in opspraak kwam. Verschillende natuurbeheerders zagen dat de heide sterk vergraste. Pijpestrootje en bochtige smele verdrongen de heide in zo'n tempo dat natuurbeheerders vreesden voor de verdwijning van de paarse velden. Ze maanden tot een andere vorm van beheer.

Dat de heide semi-natuur is en beheerd moet worden, was destijds min of meer geaccepteerd. Biologen en houtvesters hadden er in de jaren vijftig al op gewezen dat een heideveld slechts een pionierstadium is dat zonder beheer overgaat in bos. De sterke vergrassing was echter een nieuw fenomeen, en stikstofdepositie vanuit de lucht gold als de grootste boosdoener.

Ik heb gekeken welk beheer de vergrassing kon tegengaan", vertelt Diemont. Hij begon in natuurgebieden in Brabant, Drenthe en Gelderland met het maaien, ploegen, plaggen en branden van de vergraste heidevelden. Een experiment dat in totaal tien jaar duurde, van 1976 tot 1986. De resultaten waren glashelder: met plaggen keren de paarse velden terug.

Toch werd deze methode niet onmiddellijk geaccepteerd. De ecologen vonden dat je de hoeveelheden nutrienten in het systeem niet mocht veranderen. Alleen natuurlijkere vormen als branden en grazen waren daarom aanvaardbaar." Uiteindelijk gingen beleidsmakers en ecologen echter overstag: in 1988 maakte het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij het plaggen tot beleid.

Schapemest

Het plaggen van heide is voor Nederland niet nieuw. In de vorige eeuw gebeurde het op grote schaal. Boeren namen de bovenste laag van de heidebodem mee naar de stal en vingen de schape-uitwerpselen ermee op. De combinatie van heideplag en schapemest gebruikten ze om de akkerlanden vruchtbaar te maken. Toen de kunstmest begin deze eeuw op de markt kwam, is deze arbeidsintensieve methode echter verlaten. In zekere zin trek ik dus een vrij banale conclusie. Om de heide te behouden, moeten we doen wat we vroeger ook al deden."

Diemont heeft onderzocht waarom plaggen de beste methode is om de heide te behouden. Het blijkt dat je met plaggen de heidezaden bevoordeelt. Je stelt oudere bodemlagen opnieuw bloot aan licht en daar zitten vooral heidezaden in. Graszaden komen er nauwelijks meer in voor; die overleven slecht een tot twee jaar."

Vooral dit fysieke effect is volgens Diemont oorzaak van het succes van plaggen. Maar de vermindering van de hoeveelheid nutrienten die door plaggen ontstaat, speelt volgens hem ook een rol. Die vermindering vergroot de levensduur van de plant, waardoor de heidevelden langer paars blijven. Met veel nutrienten in de bodem groeit de plant harder, maar sterft eerder. Hardlopers zijn doodlopers."

Diemont poneert vervolgens een opmerkelijk stelling: dat een verhoogde stikstofdepositie vanuit de lucht geen invloed heeft op vergrassing van de meeste heidevelden. Fosfor is bepalend voor de groei van heide, niet stikstof", aldus de bodemkundige. De vergrassing is volgens hem een onderdeel van de natuurlijke successie van heide naar bos en daarmee een ecologisch probleem in plaats van een milieuprobleem.

Deze stelling heeft voor opschudding gezorgd. Ir H. Beijen van het IKC Natuurbeheer, een van de informatie- en kenniscentra van LNV, is na lezing van de stelling meteen bij deskundigen te rade gegaan. Ik maakte me ongerust. Zo'n uitspraak kan aangegrepen worden om geen stikstofbeleid te hoeven voeren. De vergrassing van de heide was altijd het schoolvoorbeeld van de gevolgen van verzuring."

Beijen vond een medestander in dr R. Bobbink, ecoloog aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Deze heidespecialist, die zelfs al telefoontjes van het ministerie van Landbouw had gehad over de stelling, vroeg vervolgens bij de promotie te mogen opponeren vanuit de zaal. Iets wat vrijwel nooit voorkomt.

Bobbink: Ik heb gezocht naar wetenschappelijke feiten, maar kon die niet vinden. In een hoofdstuk stelt Diemont dat de verhouding tussen stikstof- en fosfaatconcentraties in de bladeren van heide hiervoor een aanwijzing is. Maar het zijn maar enkele gegevens, zonder standaarddeviatie overigens, die zouden kunnen wijzen op dit verschijnsel."

Heidehaantje

Een ander punt voor Bobbink is dat Diemont de indirecte effecten van stikstofverhoging buiten beschouwing laat. Uit onderzoek van zijn collega's blijkt dat heide door een hoog stikstofgehalte gevoeliger wordt voor vorst. Door de stikstof maakt heide relatief meer eiwit dan suikers aan, terwijl suikers de heide beschermen tegen vorst. Het verhoogde eiwitgehalte bevordert vervolgens het heidehaantje, een schadelijke kever die van de heidebladeren leeft. Deze indirecte effecten hebben een grote impact op de overleving van heide en daarmee de vergrassing", aldus Bobbink.

Diemont meent echter dat er voldoende gegevens zijn om zijn stelling overeind te houden. Niet alleen de stikstof/fosforverhouding in de bladeren is een aanwijzing voor zijn stelling, maar ook het feit dat gras niet harder groeide na bemesting met stikstof.

Bovendien meent hij dat de gevoeligheid van heide voor vorst en heidehaantje niet door de verhoogde stikstofgehaltes komt, maar doordat heide in Nederland in een suboptimaal klimaat leeft. Harde gegevens heeft hij niet, maar een aanwijzing is volgens hem het feit dat dezelfde soort heide in Engeland tien tot vijftien jaar ouder wordt en dat het heidehaantje de heide daar minder aantast.

Afvalprobleem

Vanwege de felle aantijgingen van Bobbink was het voor de leek in de zaal tot het einde spannend of Diemont werkelijk kon promoveren. Maar de eerste woorden van promotor prof. dr ir N. van Breemen van de vakgroep Bodemkunde en geologie, die mede namens prof. dr F. Berendse van de vakgroep Terrestrische oecologie en natuurbeheer sprak, waren duidelijk. De doctorstitel werd toegekend.

Toch plaatsten ook de promotoren een kanttekening bij de stelling. Je zult het met me eens zijn - je mag ja of nee knikken - dat zelfs als stelling drie zonder voorbehoud juist zou zijn, dat geen consequenties behoort te hebben voor het Nederlands overheidsbeleid gericht op beperking van stikstofemissies", aldus Van Breemen.

Diemont achteraf: Ik heb ja geknikt, want het is compleet idioot om vanwege zo'n stelling een bom te leggen onder het Nederlandse ammoniakbeleid. De kern van dat beleid is bescherming van de bodem tegen verzuring, niet het tegengaan van de vergrassing van heide. Dat was niet meer dan een zichtbaar voorbeeld voor het publiek. Wat mij betreft was al die opwinding van collega's over de stikstofnorm een storm in een glas water."

De stelling mag dan omstreden zijn, dat met plaggen de paarse heidevelden behouden blijven staat als een paal boven water. Toch heeft het plaggen in Nederland aan populariteit verloren. Plaggen is duur, minimaal vijftienduizend gulden per hectare, en creeert in veel heidegebieden een afvalprobleem. Door de grote hoeveelheden zware metalen in de plaggen - heide is een efficiente invanger van zware metalen uit de lucht - belandt een aanzienlijk deel in een depot voor chemisch afval. Dat is de reden dat Natuurmonumenten het plaggen tot een minimum reduceert. En volgens medewerker drs L.B. Berris past het ook niet meer in de visie op natuurbeheer. Wij willen niet langer de grote aaneengesloten VVV-heide. Dat zijn saaie monoculturen met een kleine diversiteit aan dieren. Door meer dynamiek in de heidevelden te brengen, en af en toe een zandverstuiving te laten plaatsvinden of bos te laten opkomen, wordt de heide voor dieren en mensen veel interessanter. Begrazing van heide is wat o
ns betreft voldoende."

Diemont: De keuze is aan de beheerder. In sommige gevallen lukt het wel met begrazing en in andere gevallen niet. Ik denk dat je in de praktijk beide methodes kunt gebruiken, afhankelijk van de veldsituatie."

Re:ageer