Wetenschap - 28 februari 2002

Stad is groeimarkt voor natuur

Stad is groeimarkt voor natuur

Stedelijke biodiversiteit groeit dankzij ecologisch groenbeheer en aanpassing planten en dieren

Het gaat goed met de natuur in de stad, concluderen Alterra-onderzoekers drs Arie Koster, ing Anne Oosterbaan en ir Joop Spijker in een voorstudie voor de Natuurverkenningen 2002. Dat is vooral te danken aan het ecologisch groenbeheer dat in de laatste decennia opgang doet, maar ook aan het aanpassingsvermogen van plant en dier.

Toch blijft stadsecoloog Koster voorzichtig in de euforie: "Heide, hoogveen of zandverstuivingen hebben per definitie een lage biodiversiteit, maar zijn als biotoop stuk voor stuk belangrijker voor de biodiversiteit dan de stad." Ook ontbreekt een echte wetenschappelijke onderbouwing van de stelling: er is geen wetenschappelijke kennis over situaties in het verleden die met het heden te vergelijken is. De vooruitgang is vergelijkbaar met de schommelingen in de AEX, vindt Koster. "Op het moment is er een verslapping in de aandacht, maar in grote lijnen gaat het ten opzichte van de jaren zeventig beter."

Een van de redenen voor de stijgende biodiversiteit in de stad is de opkomst van ecologisch groenbeheer. Daar is zelfs wetenschappelijk wat over te zeggen. Koster schreef er zijn dissertatie over. In meer dan twintig steden zag hij dankzij ecologisch groenbeheer een spectaculaire groei van het aantal wilde bijen. "Het meest extreem was dat in Sneek. Daar zag je in de jaren tachtig geen bij, nu is na twintig jaar ecologisch groenbeheer de stad vergeven van de bijen." Een ander succesvoorbeeld is de kleine karekiet. Die was in de jaren tachtig niet of nauwelijks in de stad te vinden, maar is nu dankzij de aanleg van rietkragen in steden als Deventer en Veenendaal weer een regelmatig geziene gast.

Dat natuur in de stad gedijt, komt ook doordat planten en dieren zich aanpassen. De merel was bijvoorbeeld van oorsprong een bosvogel, maar zit nu liever in de stad. En een wadvogel als de scholekster broedt graag op de platte daken in de stad.

De euforie kan Koster ook te ver gaan. Een veelgehoorde opmerking is dat de biodiversiteit in de binnenstad van Amsterdam hoger is dan in het omliggende platteland. Dat klopt volgens Koster weliswaar, maar het is een valse vergelijking. In Amsterdam wonen meer mensen die vlinders zien en dat signaleren dan op het platteland, en vaak hebben de dieren in de stad het omringende platteland nodig. Het is volgens Koster ook gevaarlijk om zo'n vergelijking te maken. "Ik verdien mijn brood met biodiversiteit, maar ik wil wel waarschuwen voor de waan van de dag, voor het willen scoren."

Koster pleit voor het zo goed mogelijk verweven van de ecologische structuren in stad en land, met zo min mogelijk barri?res. Een goed voorbeeld is daarvoor de ringslang. Die komt in en rond Amsterdam veel voor, maar de populaties zitten veelal verspreid en worden van elkaar gescheiden door wegen en treinrails. Koster en zijn collega's spreken in het rapport de hoop uit dat de ecologische verbindingszone Ecolint in Amsterdam hiervoor oplossingen biedt. | M.W.

Re:ageer