Organisatie - 8 februari 2007

Spuitadviezen per post

Aan het eind van de jaren zeventig ontstaat er een levendige briefwisseling tussen Wageningse onderzoekers en Nederlandse graantelers. Een team van plantenziektekundigen verwerkt kaartjes met ziektewaarnemingen van boeren, voert de gegevens in een centrale computer in, waarna per kerende post een spuitadvies wordt bezorgd.

Een graanteler inspecteert zijn gewas.
Een graanteler inspecteert zijn gewas.

Foto: Rijksdienst IJsselmeerpolders

‘Wij adviseren u voor 13 juni te spuiten tegen gele roest. Wij kunnen u een van de volgende middelen aanbevelen: Bayfidan, Corbel of Tilt.’ Kort en simpel zijn de adviezen, waarvan de verspreiding nu hopeloos gedateerd overkomt. In 1977 is het juist een voorbeeld van vooruitgang en geavanceerde techniek: Epipre, het eerste gecomputeriseerde adviessysteem op het gebied van de gewasbescherming.
Het project is ingegeven door de ongerustheid over nieuwe chemische bestrijdingsmiddelen die in korte tijd de markt veroveren. Daarnaast is er ook de interne wetenschappelijke drang: onderzoekers beschikken net over computers en hebben nieuwe modellen gemaakt om de ontwikkeling van graanziektes te simuleren.
Voor 1975 wordt er in de Nederlandse graanteelt nog nauwelijks gespoten. De komst van systemische fungiciden, die zeer specifiek tegen bepaalde schimmels kunnen worden ingezet, zorgt echter voor een enorme stijging in het gebruik van chemische middelen.
Volgens fytopatholoog prof. Jan Carel Zadok, de geestelijke vader van Epipre, spuiten veel boeren boven het economische optimum: de kosten zijn hoger dan de baten. Het zelfvertrouwen in de onderzoekswereld groeit: met computermodellen moet het mogelijk zijn snel te voorspellen of de opbrengststijging opweegt tegen de kosten. De wetenschappers hebben hiertoe de samenhang tussen ziekteverwekker (gele roest), tarweras, grondsoort, bemesting en weersgesteldheid in een computermodel gevangen.
Het project gaat in 1977 van start met een paar honderd boeren. Zij moeten regelmatig in het veld waarnemingen doen en die invullen op ‘waarschuwingskaarten’. De ingezonden kaarten worden verwerkt door de ‘modelboeren’ in Wageningen, die proberen binnen drie dagen het advies bij de telers thuis te bezorgen.
‘Jammer genoeg werd de PTT in die jaren steeds minder betrouwbaar. We hebben toen een telefoondienst ingesteld. Dat werd een groot succes’, aldus Zadoks in 1993 in het jubileumboekje ‘Sporen van Wageningen’. Op aandrang van de telers wordt het waarschuwingssysteem al snel uitbreid met bruine roest, bladvlekkenziekte, kafjesbruin en bladluizen. Het aantal deelnemers stijgt tot boven de duizend en het project wordt in 1981 overgedragen aan het Proefstation voor de Akkerbouw en de Groenteteelt in de Vollegrond (PAGV). Het systeem kan als wegbereider gelden van de talrijke geautomatiseerde beslissingsondersteunende adviessystemen die nu een hoge vlucht hebben genomen door de komst van internet.
Voor Zadoks was Epipre vooral een ontwikkelingsproject, zowel voor onderzoekers als voor boeren. In een periode die werd gedomineerd door labonderzoek, werd veldgericht onderzoek ‘weer als netjes, fatsoenlijk en zelfs al waardevol’ gezien. Voor veel boeren is Epipre de eerste kennismaking met ‘geleide bestrijding’, het toepassen van bestrijdingsmiddelen op basis van gedegen veldwaarnemingen. Het sprak boeren – net als de huidige praktijknetwerken - aan op eigen deskundigheid. ‘Een boer heeft een oprechte belangstelling voor zijn gewas, is trots op zijn vakbekwaamheid en wil die ook ontwikkelen’, aldus Zadoks.
De meeste problemen van het project zijn te wijten aan ‘menselijke fouten’. Zo vergeten telers soms hun kaart te posten en wachten ze tevergeefs op advies. Het waren andere tijden.

Re:ageer