Wetenschap - 1 januari 1970

Sponzenkweek halverwege

Voor de eerste keer in de geschiedenis van Wageningen Universiteit is tekenfilmfenomeen SpongeBob Squarepants met naam en toenaam bedankt in een proefschrift. Ir Detmer Sipkema bedankte de gele krabburgerbakker vanwege zijn ‘baanbrekende werk ter bevordering van de wereldwijde interesse in sponzen.’ Sipkema zelf onderzocht de kweekmogelijkheden van sponzen, vanwege de vele medisch interessante stoffen die erin te vinden zijn.

De pc waarachter Sipkema de laatste jaren actief is geweest getuigt van Sipkema’s Spongebobverering. Met een muisklik kan de procestechnoloog de klaterende lach van de vierkante zeebewoner doen weerklinken. Niet iedereen houdt ervan, weet Sipkema. ‘Spongebob heeft zowel haters als adepten.’
Sipkema onderzocht voor zijn dissertatie of het mogelijk was sponzen te kweken. Onderzoekers hebben inmiddels zo’n vijfduizend complexe verbindingen in sponzen aangetroffen die economisch interessant zijn. Daartoe hoort onder mee halichondrine, een middel tegen huidkanker, en avarol, een middel tegen psoriasis en een HIV-remmer. ‘Om die stoffen te winnen zou het goed uitkomen als je sponzen buiten zee kunt laten groeien’, zegt Sipkema. ‘Maar toen mijn onderzoek begon was het zelfs nog niet mogelijk om sponzen in een laboratorium langer dan een week in leven te houden.’
Dat probleem heeft Sipkema opgelost. Een al bestaand systeem, dat was ontwikkeld om koraal in aquaria in leven te houden, bleek na enige aanpassingen ook geschikt voor sponzen. Nog niet achterhaald is hoe technologen van losse cellen sponzen kunnen maken. ‘Je kunt sponzen tot losse cellen vermalen’, zegt de onderzoeker. ‘Maar het is nog niet gelukt om daar weer complete sponzen van te maken. Een andere mogelijkheid zou zijn om met die losse cellen verder te werken, en die in reactoren voor je te laten werken. Daarvoor zou je cellijnen moeten ontwikkelen die zichzelf tot in het oneindige kunnen voorplanten. Die heb ik niet gemaakt, maar ik heb wel voorbereidend werk verricht.’
Sponzen bestaan voor zeventig procent uit niet-spons, legt Sipkema uit. ‘Als je ze uit elkaar plukt, blijkt dertig procent van de cellen sponzencel. De rest bestaat uit schimmels, bacteriën en andere micro-organismen die op de spons leven. Voordat je cellen gaat kweken moet je eerst een techniek hebben die kan zien of je wel met sponzencellen te maken hebt. Die heb ik ontwikkeld.’
Een tweede probleem is het onderscheiden van dode en levende sponzencellen. Omdat sponzencellen anders functioneren dan bekende cellen werkten de bestaande tests niet. Sipkema vond echter een methode die wel kan zien of een sponzencel leeft.
Sipkema’s onderzoek maakte deel uit van een EU-onderzoeksproject naar sponzen, waaraan behalve hij ook studenten en een postdoc hebben bijgedragen. Dat project heeft nog niet geleid tot een technologie om uit sponzen op industrieel interessante schaal stoffen te halen. ‘Ik hoop dat er ooit nog iemand verdergaat waar mijn proefschrift ophoudt’, zegt Sipkema. ‘In Wageningen zal dat voorlopig niet gebeuren. Het project zit erop.’ / WK

Re:ageer