Organisatie - 1 januari 1970

Speuren naar dioxine

We zitten midden in een nieuwe dioxinecrisis. Tweehonderd Nederlandse veebedrijven zijn op slot gegaan omdat de voedselautoriteit vreest dat hun melk en vlees dioxines bevatten. De chemische detectives die achterhaalden waar de gevaarlijke verbindingen vandaan kwamen, werken binnen Wageningen UR. Een reconstructie.

Toen Rikilt dioxines ontdekte in een partij melk die was verzameld op verschillende bedrijven, was er op het eerste gezicht nog weinig aan de hand. ‘Toen we de concentratie bepaalden bleek het om geringe hoeveelheden te gaan’, vertelt onderzoeksleider dr Ron Hoogenboom van Rikilt. ‘Maar de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) wilde natuurlijk precies weten van welke bedrijven de melk kwam. Toen we monsters van die bedrijven onderzochten, vonden we één bedrijf dat melk leverde met bijzonder veel dioxine.’
De maat waarmee onderzoekers dioxines meten is TEQ. In levensmiddelen is een concentratie tot drie picogram TEQ per gram vet toegestaan. Bij het bewuste bedrijf vond Rikilt concentraties tot twintig picogram. Dat is veel: tijdens de Lickebaert-affaire van de late jaren tachtig, toen de melk van koeien rond een vuilverbranding bij Rijnmond te veel dioxine bleek te bevatten, zijn zulke hoge waarden niet gevonden.
Daarna wilde de VWA weten hoe de dioxines in de melk zijn gekomen. De onderzoekers van Rikilt hadden een vermoeden in welke richting ze het moesten zoeken, omdat ze in het monster van het bedrijf de concentraties van zeventien verschillende types dioxine hadden bepaald. De verhouding tussen die concentraties dioxines zegt iets over de herkomst. ‘We herkenden het profiel’, zegt Hoogenboom. ‘We hadden wel eens vaker met deze dioxinebron te maken hadden gehad.’
Het ging toen om kaolinietklei, een in Duitsland gedolven grondstof voor porselein. Veevoerfabrikanten gebruikten de klei tot de late jaren negentig als bindmiddel, en wisten niet dat die van nature kleine hoeveelheden dioxines bevat. Het dioxineprofiel van de kaolinietklei werd destijds opgeslagen in de archieven van Rikilt. Daardoor achterhaalde Rikilt dat de dioxines in de melk van het bedrijf overeenkwamen met de dioxines in een kleisoort uit Ransbach.
‘De VWA onderzocht het bedrijf door en door’, zegt Hoogenboom. ‘We kregen in het lab zelfs stukjes beton die uit de muur van de stal waren gebikt. Uiteindelijk bleken het aardappelschillen te zijn waarin de dioxines zaten. De boer van het bedrijf voedde er zijn dieren mee.’
De relatie tussen de klei en de aardappels bleef echter onduidelijk, ook al achterhaalde de VWA de herkomst van de aardappelschillen: frietfabrikant McCain. Tot Rikilt-onderzoeker Wim Traag een tip ontving van iemand die het productieproces van de fabrikant kende, en vertelde over de manier waarop het bedrijf zijn aardappelen sorteert. De industrie maakt dankbaar gebruik van het feit dat alleen aardappels met veel zetmeel - die ook wat zwaarder zijn - geschikt zijn om te frituren. De aardappels worden in bassins met water gegooid. Daar zakken de geschikte aardappels naar de bodem, en de ongeschikte blijven drijven. Het scheiden gaat beter als het soortelijk gewicht van het water is verhoogd door er kaolinietklei aan toe te voegen. De klei bleef echter achter op de schillen.
McCain was zich van geen kwaad bewust. De vestiging in Hoofddorp gebruikte aanvankelijk zout om het soortelijk gewicht van water te verhogen, maar was overgestapt op klei toen het waterschap de lozingen van het zoute water verbood. / WK

Re:ageer