Wetenschap - 15 februari 2001

Spanning tussen landbouwpraktijk en wetenschap op de golven van de tijd

Spanning tussen landbouwpraktijk en wetenschap op de golven van de tijd

Het is 1880. Jongkindt Coninck, directeur van de rijkslandbouwschool in Wageningen, opent de Duivendaal Hoeve. Een modelboerderij om studenten praktische vaardigheden bij te brengen en zo te zorgen dat de kersverse landbouwwetenschap dicht bij de landbouwpraktijk blijft staan. In de eeuw die volgde zou de wetenschap zich steeds verder van de landbouwpraktijk verwijderen. Maar de geschiedenis lijkt zich te herhalen. De reorganisatie van Wageningen UR, twee jaar geleden ingezet, suggereert een terugkeer naar de praktijk. Een blik in het verleden van de landbouwwetenschap met een knipoog naar de toekomst.

Ir. Harro Maat deed promotieonderzoek naar de geschiedenis van de landbouwwetenschappen in Nederland en de Nederlandse koloni?n. Eind negentiende eeuw was de relatie tussen wetenschap en landbouw sterk. Landbouwkundig onderzoek ontstond vanuit vragen uit de praktijk en werd gedaan in landbouwproefstations, waarvan de eerste in 1877 in Wageningen werd geopend. Rond de eeuwwisseling investeerde de overheid flink in onderwijs en onderzoek voor de landbouw. Dat resulteerde in de oprichting van meer proefstations en een reorganisatie van de rijkslandbouwschool. Uiteindelijk werd de Wageningse instelling in 1918 de landbouwhogeschool.

In de twintigste eeuw verschuift de landbouwwetenschap van praktijkgericht naar meer fundamentele wetenschap. Vooral in het onderwijs is dat duidelijk te zien aan een groeiende aandacht voor onderzoeksmethoden in de studie en minder ruimte voor praktijklessen. Maat verklaart de trend naar een steeds fundamentelere wetenschap uit de achterstandspositie van de Wageningse instelling ten opzichte van andere instellingen. Om toch als volwaardig gezien te worden, lag er extra nadruk op fundamentele wetenschap. Vandaar, aldus Maat, dat Wageningers nog steeds graag aanhalen dat artsen en juristen ook praktijkmensen zijn, terwijl ze wel in wetenschappelijke instellingen opgeleid worden.

Nederlands-Indi?

In de Nederlandse koloni?n is een omgekeerde trend te zien. Onderzoek werd gedaan in 's Lands Plantentuin, de botanische tuin in Bogor, Nederlands-Indi?. Onderzoek en onderwijs waren op academische leest geschoeid omdat er weinig contact was met de praktijk. In landbouwproefstations werd technologie ontwikkeld. Voor de implementatie van die technologie was aanvankelijk weinig aandacht.

Al snel bleek echter hoe complex de communicatie met boeren in de praktijk was op Java. Door verschillen in taal en achtergrond verstonden wetenschappers en boeren elkaar zo niet letterlijk, dan in ieder geval figuurlijk niet. Daardoor werd de wetenschap daar al vanaf 1910 veel meer gericht op boeren en de praktijk.

In Nederland was in de jaren tachtig de nadruk op fundamentele wetenschap op zijn hoogtepunt. Dat blijkt ook uit de organisatie van de universiteit. Voor toegepaste en sociale wetenschap of interdisciplinaire integratie van wetenschap was weinig plaats. Maar dan dwingen veranderingen in de landbouwpraktijk ook de landbouwwetenschap tot veranderingen. De voortdurende aandacht voor productieverhoging in de landbouw blijkt ook negatieve kanten te hebben. De consument begint het vertrouwen in de landbouw te verliezen door een negatief milieu-imago en voedselschandalen.

Onrust

In een naschrift kijkt Harro Maat voorbij de jaren tachtig. Hij vergelijkt de complexe toestand in de landbouw in de koloni?n in het begin van de twintigste eeuw met de huidige crisis in de Nederlandse landbouw. Ook nu blijkt in Nederland communicatie tussen boeren, wetenschappers en consumenten minder eenvoudig dan voorheen gedacht werd. De dienst landbouwvoorlichting is geprivatiseerd en onderzoek moet zichzelf verkopen. Dat leidde er in de jaren negentig toe dat beleidsmakers onderzoek en onderwijs meer op de praktijk ori?nteerden. De fusie van Wageningen Universiteit, DLO en het praktijkonderzoek is daar volgens Maat een gevolg van. Organisatorisch is daarin een andere weg ingeslagen, met meer aandacht voor integratie van b?ta en gamma in interdisciplinaire wetenschap. Ook is de sociale wetenschap in de reorganisatie en bezuinigingen niet wezenlijk m??r gekort dan technische disciplines. De verminderde waardering voor fundamenteel onderzoek na de jaren tachtig roept volgens Maat, als tegenreactie, al onrust op bij fundamentele wetenschappers.

Maat signaleert enkele problemen bij de huidige verandering. Hoogleraren waren vroeger meer betrokken bij het maken van beleid. Op centraal niveau maken managers nu de dienst uit, die geneigd zijn de kennisinstelling als een bedrijf te zien. "Maar een kennisinstelling is geen bedrijf." Mensen met inhoudelijke expertise worden daardoor genegeerd door beleidsmakers, zegt Maat. Dat leidt tot frustratie en tegenwerking. "Dat is jammer en niet effici?nt. Mensen met visie op onderwijs, zoals bijvoorbeeld prof. dr. Martin Mulder, krijgen niet de speciale rol die ze met hun expertise zouden kunnen vervullen. Ook studenten worden onvoldoende betrokken bij het opzetten van onderwijs."

Generatie-effect

Verder maakt Maat duidelijk dat de geschiedenis verloopt in golven die samenhangen met opvolgende generaties. De scholieren van nu zijn over tien jaar student en nog tien jaar later zijn ze beleidsmakers. Wat scholieren belangrijk vinden, uit zich in studiekeuze en later in aandachtspunten in hun werk. In 1970 waren er bijvoorbeeld veel studentenprotesten voor meer projectonderwijs. Nu wordt dat werkelijkheid in de vorm van veel aandacht voor probleemgericht onderwijs en b?ta-gamma-integratie. In 1970 was het een politieke beweging van studenten, anno nu is het gedepolitiseerd beleid van de generatie die in 1970 student was. Ander voorbeeld: begin jaren tachtig protesteerden jongeren tegen dierenleed. Omdat die jongeren nu beleidsmakers zijn, is onlangs de nertsenhouderij verboden. Hetzelfde geldt volgens Maat voor reorganisaties: "Pas in 2015 is de huidige integratie in Wageningen UR werkelijk te beoordelen. Dan blijkt of de veranderingen die beleidsmakers nu inzetten ook werkelijk gevolgen zullen hebben."

Maat ziet een aantal scenario's voor de toekomst van Wageningen UR. De huidige instelling is sterk ge?nt op het ministerie van LNV en daar schuilt een gevaar in. Op het moment dat een apart ministerie voor landbouw ter discussie komt, zoals in Duitsland gebeurde, staat ook Wageningen UR op losse schroeven. Als daarbij het aantal studenten blijft dalen, ligt het voor de hand dat het Wageningse onderwijs naar Nijmegen en Utrecht gaat, of een kopstudie van de hogere agrarische scholen wordt. Wat blijft, is een onderzoeksinstelling: Wageningen R.

Het kan ook dat de reorganisatie tot Wageningen UR juist voor het onderwijs goed uitpakt. Issues in de samenleving als de BSE-crisis, hoe negatief ook, trekken dan juist studenten naar Wageningen die daar een interdisciplinaire opleiding krijgen. Ook hier kan het generatie-effect een gevolg hebben. Scholieren die nu onder de indruk zijn van de BSE-crisis kiezen straks voor Wageningen. Maat vergelijkt dit met de verhoogde belangstelling voor de studie milieuhygi?ne in de jaren tachtig. Dat was een reactie op de oliecrisis in de jaren zeventig: het milieu was een issue. Onderzoekers van DLO zouden studenten met de praktijk bekend moeten maken. "Maar", waarschuwt Maat, "ik moet de eerste DLO'er nog zien in een onderwijsinstituut."

Joris Tielens

Ir. Harro Maat promoveert op 16 februari bij prof. dr. ir. Paul Richards, hoogleraar technologie en agrarische ontwikkeling, en prof. dr. ir. Michiel Korthals, hoogleraar toegepaste filosofie.

Promovendus Harro Maat naast de Duivendaal Hoeve, het gebouw dat in 1880 geopend werd om studenten praktische landbouwkundige vaardigheden bij te brengen. Op de achtergrond het hoofdgebouw van Wageningen UR.

Re:ageer