Wetenschap - 1 januari 1970

Snelcursus hoger onderwijs

Snelcursus hoger onderwijs

Snelcursus hoger onderwijs


Welkom in Wageningen. Aangekomen in ons provinciestadje, vol verwachtingen
over je studie en het nieuwe leven dat gaat beginnen. Alles is bijzonder;
het wordt een interessant jaar. Dat was het natuurlijk al: eindexamen
gedaan, gewerkt, en – als klap op de vuurpijl – een spetterende vakantie.
Genoten natuurlijk. Terecht, maar nu is het gedaan met de pret. Laat ik
maar gelijk met de deur in huis vallen, het wordt niet wat je denkt. Eerst
even een misverstand uit de weg ruimen: een universiteit is niet een
professionele instelling waar onderzoek wordt gecombineerd met het opleiden
van studenten. De opleiding staat niet hoog op de agenda, en er is geen
professioneel team van begeleiders om je door de studie te loodsen. Hoewel
voor alle partijen (jezelf, docenten, bestuurders) van levensbelang, komen
jouw prestaties niet op de eerste plaats. Men is meer bezig is met het
eigen voortbestaan dan met de voortgang van je studie.
Wat dat betreft lijkt een universiteit net een voetbalclub: het gaat om
bijzaken. Terwijl de inkomsten teruglopen, en de belangstelling van
supporters achteruitgaat, houden bestuurders zich vooral bezig met de
buitenwereld; ze paaien sponsers (die ze op het hart drukken dat er geld
bijmoet), en bestuurders (waar ze het maatschappelijke belang van hun
clubje naar voren brengen). En ze schrappen uitgaven. Je kent dat wel:
koffiejuffrouwen ontslaan, kantines sluiten.
Inmiddels zetten onderzoekers en studenten zelf koffie en is er een
intensieve relatie met banketbakkers (tijdens kantooruren) en pizzaboeren
(voor de latere uurtjes). Hiernaast mogen bestuurders graag een
studierichting opheffen als deze niet voldoende supporters trekt, of – nog
liever – een nieuwe richting bedenken. Zo wordt er op dit moment nagedacht
over de ‘krakers’ van volgend jaar. ‘Biotechnologiebeleid’ bijvoorbeeld
(Greenpeace is aangeschreven als mogelijke sponsor), of (zeer actueel):
‘Het pesten van veehouders’ (met als afstudeerrichting ‘Jacht op verstopte
hobbyvogels’ en ‘Maatschappelijk debat: pappen en nathouden’). Je zult
begrijpen dat de verwachtingen hooggespannen zijn.

Zo niet bij docenten en onderzoekers. Murw geslagen door de ene na de
andere reorganisatie zagen zij hun spelvreugde totaal verdampen, terwijl
het opheffen van voorheen vanzelfsprekende diensten (centrale scouting) en
faciliteiten (labs) veel kwaad bloed zet. Ook is de afstand tussen
werkvloer en leiding inmiddels zo groot geworden dat ze elkaar zonder
speciale begeleiding niet meer begrijpen. Logisch dus dat veel spelers
dromen van een transfer naar een andere – meer kapitaalkrachtige – club
waar ze hopen hoofdtrainer of – uiteindelijk – directeur voetbal te worden.
Wageningen zelf, als kleine provincieclub, doet niet aan grote transfers.
Maar daar is iets op gevonden. Want Wageningen Universiteit (de officiële
naam zal ik je besparen) heeft vergaande plannen voor samenwerking met
enkele andere instellingen in het agrarische onderwijs. Zo zijn er
afspraken met twee hogescholen die – op puur vrijwillige basis – op
onderdelen kunnen samenwerken met de grote broer. En iedere bestuurder van
een klein voetbalclubje kan je vertellen waar dat toe leidt: fusie (op
onvrijwillige basis, afgedwongen door bestuurders die weigeren nog langer
de financiële gaten te dichten). En dat is misschien wel een waarschuwing
aan de ex-HBO’ers die hier nieuw arriveren. Je denkt misschien af te zijn
van Larenstein of het Van Hall instituut, maar dat is maar schijn. Ze zijn
dichterbij dan je denkt. Fusieclub Wageningen komt er aan. Je bent
gewaarschuwd. Welkom in Wageningen.

Egbert Lev

Re:ageer