Wetenschap - 1 januari 1970

Schade vogelpest hangt af van regio van uitbraak

Schade vogelpest hangt af van regio van uitbraak

Schade vogelpest hangt af van regio van uitbraak


Het ministerie van LNV wilde snel cijfers over de uitbraak van vogelpest,
om daarmee samen met andere ministeries te kunnen reageren op de crisis.
Het LEI berekende voor verschillende toekomstige scenario’s van de huidige
uitbraak de gevolgen voor de werkgelegenheid en economie.

Blijft de vogelpestuitbraak beperkt tot de Gelderse Vallei en gaan
bedrijven daar drie maanden dicht, dan merken de vijfduizend mensen die
werken in de pluimveesector in de Gelderse Vallei dat in hun werk. Ze
kunnen tijdelijk niet werken, of moeten tijdelijk elders werken,
bijvoorbeeld in een pakstation elders. Op basis van modelstudies schat
het LEI dat in die drie maanden totaal 949 arbeidsjaren verloren gaan ten
opzichte van een normaal jaar. Het verlies van toegevoegde waarde wordt
in dat geval geraamd op 57 miljoen euro. Beide getallen zijn uitkomsten
van modelstudie, en zeggen nog niet alles over de realiteit, waarschuwt
projectleider drs Gemma Tacken. Niet alle primaire bedrijven zijn immers
geruimd en ook bij andere bedrijven in de keten gaat een deel van het
werk ‘gewoon’ door. De cijfers gelden als de totale pluimveehouderij in
het gebied plat zou liggen, terwijl in praktijk bedrijven nog
gedeeltelijk door kunnen draaien. Ergere scenario’s, bijvoorbeeld als de
Gelderse Vallei zes maanden ‘op slot’ gaat, zou een geraamd maximaal
verlies van toegevoegde waarde van 114 miljoen euro opleveren.
De schade hangt af van het type bedrijf en de rol die dat bedrijf heeft in
de keten, legt Tacken uit. Een leghennenbedrijf krijgt eens in de tien
maanden nieuwe kippen, een vleeskuikenbedrijf eens in de zes weken. Omdat
de levering van nieuwe dieren afhangt van een strakke planning in de keten,
staan leghennenbedrijven na de crisis langer leeg bij onvoldoende aanbod
van dieren. Door dit verschil zijn ook de gevolgen van een mogelijke
uitbraak in verschillende delen van Nederland verschillend. In Zuid-
Nederland zijn meer leghennen, vleeskuikens zitten ook in Noord- en Oost-
Nederland. Ook blijkt een uitbraak in Brabant dramatischer gevolgen te
hebben dan een uitbraak in West-Nederland. Niet alleen omdat er in Brabant
meer pluimveebedrijven zijn dan in het westen, maar vooral omdat er in
Brabant veel bedrijven zijn die moederdieren hebben. Die zijn nodig om de
hele sector weer snel op te bouwen na een crisis. Worden ook die bedrijven
geruimd, dan zijn de gevolgen op de langere duur groter.

|
J.T.

Re:ageer