Wetenschap - 29 juni 1995

Scepsis over topinstituten van Economische Zaken

Scepsis over topinstituten van Economische Zaken

Het ministerie van Economische Zaken wil twee tot vijf technische topinstituten om Nederland snel op te stuwen in de vaart der volkeren. Waarschijnlijk zullen de topinstituten voorlopig niet meer zijn dan extra commissies die een geldpotje van 55 miljoen mogen verdelen. Gebakken lucht, al schurken de universiteiten ongemerkt wel steeds dichter tegen de grote bedrijven aan.


Er lijkt geen einde te komen aan de groei van het aantal formele samenwerkingsverbanden, overkoepelende organisaties, netwerken en beoordelingscircuits in onderzoekend Nederland. Het ene wetenschappelijk bestuur, vaak met secretaris en nieuwsblaadje, verschijnt na het andere. Sinds 1988 zijn daar de vaste commissies wetenschap van de universiteiten, de onderzoeksinstituten, de beoordelingscommissies van de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO), de visitatiecommissies van de vereniging van universiteiten (VSNU), de besturen van onderzoekscholen, de associatie van biotechnologisch onderzoek Nederland (ABON), de erkenningscommissies onderzoekscholen (ECOS) en nog veel meer.

Daarbij worden de laatste tijd vooral veel hybride raden en commissies gevormd, van zowel hoogleraar-bestuurders als vertegenwoordigers van de grote bedrijven. De ministers Wijers (Economische Zaken), Ritzen (Onderwijs) en Van Aartsen (LNV) willen in Nederland nu ook technische topinstituten opzetten, meldden ze vorige week bij de presentatie van de nota Kennis in beweging.

Het trio wil Nederland opstuwen in de vaart der volkeren met behulp van sterke, interdisciplinaire instituten die fundamenteel-strategisch onderzoek doen en een grote uitstraling hebben naar het buitenland. De topinstituten moeten een beperkt aantal vaste mensen hebben en een grote groep contractonderzoekers, bij voorkeur postdoc's. Alleen de beste onderzoekers mogen meedoen. In het bestuur moeten vertegenwoordigers zitten van het bedrijfsleven, zodat afstemming van vraag en aanbod wordt gegarandeerd.

Economische Zaken denkt aan instituten in ondermeer de chemie, milieutechnologie en informatica. Volgend jaar wil ze tien miljoen gulden uittrekken voor het eerste topinstituut. Dit bedrag wil ze laten oplopen tot jaarlijks 55 miljoen gulden. Voorwaarde is wel dat het bedrijfsleven flink meebetaalt.

Export

De topinstituten zijn onderdeel van een groter kennisplan, met als doel de exportpositie van Nederland te versterken. De regering heeft ook extra subsidies en belastingvoordelen beloofd aan middelgrote en kleine bedrijven die investeren in onderzoek en produktontwikkeling.

De vereniging van chemisch ingenieurs (KNCV) en de vereniging van chemische industrieen (VNCI) hebben al een enthousiast voorstel aan Wijers gestuurd voor een Topinstituut Chemie. Het voorstel is blijkbaar een compromis, want het beslaat een flink deel van de chemie in Nederland: materialen, katalyse, procestechnologie en ook nog biotechnologie. De chemische verenigingen willen een nieuw gebouw met grote uitstraling en ze vinden dat het instituut het concertgebouworkest moet zijn, waarvoor het een eer is uitgenodigd te worden.

Gezien de kosten is een nieuw gebouw op korte termijn niet reeel, tempert secretaris dr E.J. De Rijk van de KNCV de verwachting. De initiatiefnemers willen eerst voortbouwen op de onderzoekscholen, dus op de bestaande groepen binnen de universiteiten.

Nu is de poging om het beste Nederlandse onderzoek te bundelen en te versterken tot topinstituten niet nieuw. In 1990 loofde het ministerie van Onderwijs subsidies uit voor de beste onderzoekscholen. Die moesten eveneens centers of excellence worden, met als doel de aio's en oio's op te leiden. Inmiddels zijn er zo'n negentig onderzoekscholen en zit zo'n beetje elke universitaire onderzoeker in een school of aankomende school. De vorming van herkenbare centers of excellence is dus niet helemaal gelukt. Nederland is teveel het land van de verdelende rechtvaardigheid", merkte Wijers in het NRC op.

Onafhankelijk

Het belangrijkste doel van veel hoogleraar-bestuuurders was echter om het onderzoek onafhankelijker te maken van de logge democratie op de universiteiten, en dat is beter gelukt. Zij wilden een duidelijk aanspreekpunt voor financiers en kortere lijnen. Een klein deel van de externe financiering gaat inmiddels rechtstreeks naar de onderzoekscholen.

Maar deze scholen zijn nog niet onafhankelijk genoeg, verklaart De Rijk. Immers, ze zijn niet vrij om zomaar dure apparatuur te kopen, hoogleraren aan te stellen of excellente onderzoekers een hoger salaris te bieden. De chemicus stelt zich een constructie voor als bij het CNRC in Parijs. Dit instituut stelt centraal plannen op en laat die door de beste groepen op de universiteiten uitvoeren. De Franse universiteiten kennen hun CNRC-hoogleraren en CNRC-groepen, betaald door het overkoepelend orgaan.

Het cluster Biomoleculaire wetenschappen van de LUW ziet weinig in nog een bestuurslaag erbij, zo heeft ze aan de KNCV geschreven. Het vreest dat hiermee het onderzoek en onderwijs op de universiteit teveel worden ontkoppeld, en dat onderzoekscholen verschralen, als de beste onderzoekers voor een topinstuut gaan werken. Bovendien is het bang dat bedrijven geld voor de vakgroepen en onderzoekscholen overhevelen naar de instituten. Als je losser wilt komen van de universiteiten, kun je toch ook de bevoegdheden van de onderzoekscholen veranderen?", vindt clustervoorzitter prof. dr B.H. Bijsterbosch. Ik vraag me ook af wie dan gaat selecteren wie in zo'n topinstituut mag."

Overheidsgeld

Een punt dat kennelijk bij mensen leeft, met name in Den Haag, is dat onderzoekscholen niet volledig autonoom kunnen opereren", becommentarieert de Utrechtse moleculair bioloog prof. dr H.O. Voorma, voorzitter van ABON. Het ABON-bestuur, dat bestaat uit vijf hoogleraren waaronder twee van de LUW, verdeelt samen met het bedrijfsleven 40 miljoen gulden overheidsgeld over de beste biotechnologie-scholen. Onder een andere naam doet ABON dus in feite al wat een topinstituut moet doen. Voorma heeft met ABON de ervaring dat de onderzoekscholen voldoende vrij zijn, en ook echt wel in de gaten houden dat het industriele geld niet in de grote pot verdwijnt.

EZ wil een aantal topfiguren bij elkaar zetten, die interessant zijn voor de industrie", denkt Voorma. Maar dan heb je een half miljard gulden nodig. Met tien miljoen per gebied kun je niet meer dan samen met het bedrijfsleven beslissen bij welke onderzoeksgroep je dat speciale type onderzoek zet." Deze week heeft hij met de chemische verenigingen over het Topinstituut Chemie gesproken: We hebben toen ook gezegd: Je moet die bestuurslaag niet te zwaar maken. Tien miljoen is in verhouding met wat onderzoekscholen binnenkrijgen maar heel gering. Je kunt dan niet tegen onderzoekschooldirecteuren zeggen: Wij vinden dat je met dat andere geld dit en dat moet doen." Voorma verwacht niet meteen geld voor de biotechnologie, aangezien de biotechnologen onlangs zo'n veertig miljoen gulden hebben gehad.

Smaak

Het NIABA, de organisatie die biotechnologie-bedrijven vertegenwoordigt, onderzoekt niettemin de belangstelling bij bedrijven en onderzoekers voor een eigen topinstituut biotechnologie. In het blad ZENO verklaart een onderzoeksmanager van Unilever graag een topinstituut voedingsmiddelen te willen, met Wageningen als kern.

Dr A.W. Schram van SenG Seeds, de Enkhuizer dochter van multinational Sandoz Seeds, ziet wel wat in een topinstituut biotechnologie. Wij zien dit als een kans om belangrijk fundamenteel onderzoek te versterken. Bijvoorbeeld, houdbaarheid van gewassen is belangrijk geworden. En ook ziekteresistentie, smaak en gezondheid. Wat zijn dan de onderliggende biochemische en fysiologische mechanismen? Daar hebben we te weinig kennis over."

Als het gaat om kortlopend contractonderzoek, weten de bedrijven de onderzoeksgroepen nu ook heel goed te vinden, bevestigt NIABA-directeur dr R.R. van der Meer. Maar door in te spelen op dit nieuwe beleid, kunnen ze mogelijk ook meer invloed krijgen op het lange-termijnonderzoek. Voor dit meer fundamenteel onderzoek is de 55 miljoen gulden van Economische Zaken ook bedoeld.

Behalve vanuit de universiteiten bestaat ook scepsis vanuit de kleinere bedrijven. EZ wil met het kennisplan de exportpositie van Nederland verbeteren. Echter, niet het fundamenteel onderzoek is de grootste bottleneck van de kennisstructuur, vinden zij, maar de kennistransfer. Hierbij gaat het om het toepasbaar maken van bestaande technologieen en inzichten, voor andere sectoren. Daar zou, met het beperkte budget, de grootste winst gehaald kunnen worden. Kennistransfer is iets waar vooral de honderden kleine en toeleverende bedrijven in Nederland om zitten te springen.

Top-down

Secretaris De Rijk van de chemie-vereniging verklaart dat het eventuele Topinstituut Chemie zich wel degelijk hard zal maken voor de kennistransfer en de kleinere bedrijven. Maar de belangenvereniging van het midden- en kleinbedrijf heeft daar weinig vertrouwen in. W. van der Maas van het MKB: Vroeger dacht Economische Zaken dat als je de grote bedrijven maar stimuleert met technologie-ontwikkeling, de toeleverende en kleine bedrijven vanzelf meeprofiteren. Daar geloven wij niet in. Topinstituten gaat nog teveel uit van de top-down gedachte. De besturen dreigen toch weer gedomineerd te worden door een klein clubje mensen, afkomstig van de grote bedrijven."

Het MKB wil liever projecten bouwen rond bestaande technologieen. Van der Maas: De universiteit van Delft en de branche-organisaties hebben onlangs lichte materialen en lijmen die voor de luchtvaart waren ontwikkeld, toepasbaar gemaakt voor bedrijven die aanhangwagentjes maken. Het project kostte niet meer dan twee ton. De wagentjes worden nu door vijftig bedrijven gemaakt en verkocht aan het buitenland. Door bestaande kennis toepasbaar te maken, maak je kleinere bedrijven en toeleveraars onafhankelijker van de grote bedrijven. EZ financiert ook dit type projecten, en we vinden het daarom een evenwichtige kennisnota. Alleen die topinstituten spreken ons dus niet aan."

Re:ageer