Wetenschap - 1 januari 1970

Rol kokkelvisserij niet onbesproken

Vorige week culmineerde de discussie over de schelpdiervisserij in de Waddenzee in een door honderden belangstellenden bezocht wetenschappelijk symposium in Haren, georganiseerd door het Centre for Ecological and Evolutionary Studies (CEES) van de Rijksuniversiteit Groningen. De discussie speelde zich af langs bekende scheidslijnen. Het lijkt erop dat we vooral op de langere termijn bezorgd moeten zijn over de Waddenzee, met de dreigende opkomst van de Japanse oester en de stijgende zeespiegel, maar ook door het veranderend ecosysteem in de Waddenzee.

Het mooiste citaat uit de discussie die de laatste weken is gevoerd over het evaluatieonderzoek naar de schelpdiervisserij EVA II komt van een kokkelvisser. ,,Momenteel zijn er meer wetenschappers bezig met de kokkelvisserij dan dat er kokkelvissers zijn'', zei hij tijdens de publieksbijeenkomst in Groningen op zaterdag 31 januari. De cijfers lijken hem daarin gelijk te geven. Meer dan dertig onderzoekers produceerden 32 rapporten over de effecten van een kokkelvloot van 22 schepen.
Maar wat zijn nu de effecten van de kokkelvisserij op de Waddenzee? Uit het EVA-rapport blijkt dat de visserij in open gebieden de kokkelstand verlaagt, omdat daar kokkels worden weggevangen van laaggelegen zandige wadplaten, waarop ze het snelst groeien. In een Waddenzee mét visserij is plaats voor vijftienduizend minder scholeksters dan in een Waddenzee zónder, en dat is ongeveer tien procent van de populatie. De verstoring door de mechanische kokkelvisserij veroorzaakt zowel op korte, middellange als lange termijn een slibarmere wadbodem, en enkele tientallen procenten van de in de bodem levende dieren sterven door de vissers, inclusief jonge kokkels. Nieuwe berekeningen toonden ook aan dat er drie keer zoveel kokkelvlees voor scholeksters gereserveerd moet worden (zie : Zonder bomen geen bosbessen).
Met een aantal aspecten in het complexe ecosysteem van de Waddenzee gaat het echter relatief goed. De oppervlakte stabiele mosselbanken, die in de jaren tachtig door mossel- en kokkelvissers voor een groot deel werd weggevist, groeit zeer langzaam, mede dankzij het beleid om via visplannen en vergunningen de vissers van die platen te weren. De mosselkweek leidt volgens de onderzoekers tot een groter mosselbestand in de Waddenzee, wat ook positief is voor de wadvogels. Verrassend positief viel ook het experiment met het licht bevissen van jonge mosselbanken uit, de toetsing van het zogenaamde Janlouw-hypothese (zie kader: Licht bevissen mosselzaad heeft weinig invloed).

Verwarring
Over de resultaten van EVA II is sinds de presentatie van het eindrapport verwarring ontstaan. Zo leek het in eerste instantie alsof de belangrijkste conclusie was dat de afnemende draagkracht van de Waddenzee de belangrijkste reden was voor de stervende wadvogels (zie kader: Draagkracht Waddenzee neemt af). De door succesvol milieubeleid afnemende hoeveelheid fosfaten en nitraten zou leiden tot een afname van de hoeveelheid alg in de Waddenzee, en daarmee tot een afname van het voedsel voor de kokkels. De kokkelvisserij leek weinig blaam te treffen. Een conclusie die minister Cees Veerman van LNV omarmde in de eerste reactie op het EVA-rapport, waarin hij stelde dat het rapport niet zondermeer aantoont dat de kokkelvisserij uit de Waddenzee hoeft te verdwijnen.
Onderzoeksleider van EVA II dr Bruno Ens van Alterra Texel maakte de week voor het wetenschappelijke symposium duidelijk dat niet alleen de afnemende draagkracht van de Waddenzee de oorzaak is van de grote sterfte onder eidereenden en de grote afname van het aantal scholekster. Bij de scholekster is de daling van het aantal van 260.000 in de jaren negentig naar 170.000 nu vooral te wijten aan het verdwijnen van stabiele mosselbanken door bevissing (zie kader Zonder bomen geen bosbessen). Bij de eidereenden komt de massale sterfte van 2000 en 2001 vooral door de lage aantallen mosselen in die jaren, maar of dat ligt aan de kokkelvisserij is onduidelijk. Ens blijft overigens bij zijn opvatting dat de afnemende draagkracht een van de belangrijkste wetenschappelijke vondsten is van EVA II.

Hersteltijd
Toch blies het draagkrachtverhaal nieuw leven in de van oudsher al stevig tegenover elkaar staande voor- en tegenstanders van de kokkelvisserij, en tussen de eveneens oude wetenschappelijke waterscheiding tussen de onderzoekers van EVA II - komende van de instituten Alterra Texel, het Nederlands Instituut voor Visserij Onderzoek en het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling RIZA - en onderzoekers van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ).
Tijdens het CEES-Symposium kwamen beide partijen aan het woord. Prof. Theunis Piersma van het NIOZ en de Rijksuniversiteit Groningen bracht de presentatie die de meeste indruk maakte bij de bezoekende wetenschappers, studenten, vissers, natuurbeschermers, ambtenaren en journalisten. Hij presenteerde langjarige meetgegevens, waaruit hij berekende dat de hersteltijd van de door mechanische kokkelvissers omgewoelde wadbodem twintig en mogelijk zelfs veertig jaar kan zijn. Piersma schetste een zwart scenario voor de Waddenzee, waarin op de lange duur het gevarieerde leefmilieu met schelpdieren en wormen overgaat in een door wormen gedomineerde kale vlakte.
Ook van de EVA-zijde kwamen waarschuwingen die vooral duiden op dreigingen op de langere termijn. Prof. Leo Zwarts van het RIZA hield een verhaal waaruit bleek dat vissers en vogels steeds meer elkaars concurrenten worden. Kokkelbanken komen namelijk steeds hoger te liggen. Dat is negatief voor kokkelvissers, omdat kokkels overspoeling nodig hebben om te groeien, maar daardoor botsen vissers ook met de op de hooggelegen plekken fouragerende vogels.

Berekeningen
De waterscheiding der wetenschappers lijkt vooral een tegenstelling tussen model en meting. Dr Jaap van der Meer van het NIOZ hield op het symposium een genuanceerd verhaal over de commotie over het draagkrachtverhaal, waaruit duidelijk bleek dat de modelberekeningen van EVA II en de metingen van het NIOZ niet goed op elkaar zijn afgestemd. Het op langjarige metingen gebaseerde onderzoek van Piersma stemt niet overeen met de berekeningen van dr Pauline Kamerman van het Centrum voor Schelpdieronderzoek, waarschijnlijk omdat Piersma in verschillende plekken op het wad metingen verrichte, waar Kamerman met datasets Waddenzeebreed modelleerde.
In verschillende kranten verschenen na het CEES-Symposium berichten die duidelijk maakten dat het toch vooral de kokkelvisserij is die de Waddenzee schade berokkent. Wat als eenduidige conclusie uit het symposium naar voren komt, is de waarschuwing voor de lange termijn. Met de zeespiegelstijging, de opwarming van het water, de afname van nutriëntentoevoer en draagkracht, en de dreigende opkomst van de voor vogels ongeschikte Japanse oester zijn er dreigingen genoeg zonder visserij, en zonder het zwarte scenario van Piersma.
Het lijkt er voor de wetenschappers vooral op dat er nog veel onderzoek nodig is voor een beter een eenduidiger begrip van het complexe ecosysteem van de Waddenzee. Dat staat in schril contrast met de arme kokkelvisser die zich steeds meer in de minderheid voelt op 'zijn' Waddenzee. Maar het kan natuurlijk ook zo zijn dat een daadkrachtige politicus de beslissing neemt die op de lange duur onoverkomelijk lijkt: het stoppen van de kokkelvisserij.

Martin Woestenburg

Re:ageer