Wetenschap - 1 januari 1970

Roep om meer aandacht voor Wageningen UR als internationaal

Roep om meer aandacht voor Wageningen UR als internationaal

ontwikkelingsinstituut

Noord-Zuid Centrum moet internationale gezicht van Wageningen worden

Onderzoek en onderwijs in ontwikkelingssamenwerking heeft de laatste jaren
nogal wat veranderingen ondergaan. Er worden minder Nederlandse
ontwikkelingswerkers opgeleid, terwijl meer buitenlandse studenten en
promovendi zich in Wageningen aanmelden.
Ook het onderscheid tussen traditionele ontwikkelingshulp en handel
vervaagt.
Binnen Wageningen UR is de aandacht voor internationalisering te veel op de
achtergrond geraakt door de reorganisaties van de afgelopen jaren, aldus dr
Bram Huijsman, directeur van het IAC en het Noord-Zuid Centrum en dr Ruerd
Ruben, projectleider van het Vivre-project Internationalisering. Dat moet
hoognodig veranderen, vinden ze.

Vorig najaar trad dr Bram Huijsman aan als nieuwe directeur van het
Internationaal Agrarisch Centrum (IAC). Hij werd ook directeur van het
vorig jaar opgerichte Noord-Zuid Centrum. In beide hoedanigheden wil hij
een voorvechter zijn van ontwikkelingsgericht onderzoek en onderwijs in
Wageningen UR. Hij schets een aantal trends daarin. Zo zijn er minder
Nederlandse studenten die in Wageningen opgeleid worden tot echte
ontwikkelingswerkers. Aan technische deskundigheid uit het buitenland is in
ontwikkelingslanden ook steeds minder behoefte. In hun plaats kwam een
groeiend aantal studenten en promovendi uit ontwikkelingslanden naar
Wageningen. Meer dan de helft van de promovendi komt uit
ontwikkelingslanden. Een goede zaak, zegt Huijsman. ,,In plaats van dat wij
naar daar gaan, komen zij nu hier.’’ In de visie van Huijsman is het dan
ook logisch dat de typisch technische tropenopleidingen werden opgeheven in
de reorganisatie van 1998.
Een andere belangrijke trend is dat ontwikkelingssamenwerking niet meer
louter het mandaat is van klassieke ontwikkelingswerkers. Door de
globalisering van de economie heeft bijvoorbeeld ook Ahold te maken met
kleine boeren in ontwikkelingslanden. Het onderscheid vervaagt tussen
ontwikkelingsgericht onderzoek en marktgericht onderzoek in
ontwikkelingslanden. Onderzoek kan bijvoorbeeld gaan over het integreren
van kleine boeren in de productieketen van sperzieboontjes voor Ahold,
zodanig dat ook de producenten er garen bij spinnen. In Wageningen is het
onderscheid nog te herkennen in het verschil tussen DLO en de universiteit,
waarbij DLO meer op handel gericht is, en de universiteit meer aandacht
voor armoedebestrijding wil omdat ze daarover ook onderwijs moet geven aan
internationale studenten. De mogelijkheden om vanuit Wageningen
verschillende vormen van MSc- en PhD-onderwijs en korte trainingen te
combineren met fundamenteel, toegepast en praktijkonderzoek, bieden echter
een unieke kans om beide aspecten te combineren, denkt dr Ruerd Ruben.

Noord-Zuid Centrum

Laten zien dat ontwikkelingsgericht en marktgericht onderzoek kunnen
samengaan, zonder de dilemma's daarbij uit de weg te gaan, is een van de
taken van het Noord-Zuid Centrum, zegt Huijsman. Dat centrum werd een jaar
geleden opgericht na een roerige periode rond ontwikkelingssamenwerking in
Wageningen. Prof. Eric Smaling en Huijsman's voorganger ir. Pieter Gooren
wilden na de reorganisatie van 1998 het internationale gezicht van
Wageningen hooghouden door een fors Noord-Zuid Centrum op te richten. Dat
idee strandde op conflicten met de raad van bestuur over de omvang van dat
centrum. Toch herrees vorig jaar uit de as van die perikelen een Feniks.
Misschien kleiner dan oorspronkelijk beoogd, maar intussen is het huidige
Noord-Zuid centrum aangesterkt met meer medewerkers. Vorig najaar werd
Huijsman directeur van het centrum. De raad van bestuur stemde onlangs in
met het businessplan voor de komende drie jaar van het centrum, waarin tien
mensen samen vijf voltijdsfuncties gaan vervullen. ,,Nu kunnen we echt aan
het werk'', zegt Huijsman. De kenniseenheden zijn klant en eigenaar van het
centrum, legt Huijsman uit. ,,Na een rondgang langs de kenniseenheden zijn
we het eens geworden over welke taken centraal gedaan moeten worden, en
welke op het niveau van kenniseenheden.'' Een van de taken die het Noord-
Zuid centrum krijgt is het accountmanagement voor internationale
opdrachten. Het Noord-Zuid Centrum heeft daarvoor drie accountmanagers,
voor Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Net als Willem Wolters dat doet voor
de EU, moeten zij contacten leggen en de markt in die continenten in de
gaten houden. In aanvulling op de internationale accountmanagers van de
kenniseenheden zoeken ze naar opdrachten die wat betreft onderwerp tussen
de kenniseenheden invallen, dus bijvoorbeeld de combinatie van plant, dier,
voeding en maatschappij. Vooral DLO is geïnteresseerd in deze dienst van
het Noord-Zuid Centrum. Daarnaast blijft het Noord-Zuid Centrum het
management voeren over de twee belangrijkste internationale
onderzoeksprogramma's van Wageningen UR; het internationale
samenwerkingsprogramma van DLO en het INREF-programma van de universiteit.
Die programma's gaan uit van interdisciplinair onderzoek, omdat veel
problemen in ontwikkelingslanden niet vanuit één invalshoek op te lossen
zijn, en omdat in die interdisciplinaire aanpak nu juist de meerwaarde zit
van Wageningen UR ten opzichte van instellingen in ontwikkelingslanden
zelf. Het centrum stimuleert die interdisciplinariteit dan ook door
onderzoekers van verschillende kenniseenheden bij elkaar te brengen in
workshops over ontwikkelingsrelevante thema's, zoals voedselveiligheid of
concurrerende claims op natuurlijke hulpbronnen. Bovendien wil het centrum
zorgen voor meer communicatie over de kracht van Wageningen UR als centre
of excellence van ontwikkelingsgericht onderzoek en onderwijs. Daarvoor
werkt het bijvoorbeeld aan een website die snel de weg moet wijzen naar
expertise binnen Wageningen UR. Ook wil het centrum in debatten actiever
aandacht vragen voor armoedebestrijding. Dat doet ze ook door het
secretariaat te voeren van de Nederlandse afdeling van het Global Forum for
Agricultural Research for Development, waar Huijsman voorzitter van werd.
Huijsman: ,,De verdere ontwikkeling van het Noord-Zuid Centrum wordt gevoed
door de mensen op de werkvloer van Wageningen UR. Zij komen een aantal
malen per jaar bij elkaar in het Noord-Zuid Platform om van gedachten te
wisselen over actuele thema’s en ideeën te bespreken voor nieuwe
activiteiten.’’

IAC

Huijsman is in de eerste plaats directeur van het IAC, het meest op
ontwikkelingssamenwerking gerichte onderdeel van Wageningen UR. Het IAC is
een bijzondere eend in de bijt van Wageningen UR, want in plaats van
onderzoek of regulier onderwijs geeft het cursussen aan zogenaamde mid-
career professionals uit ontwikkelingslanden en Oost-Europa. Die hebben al
meerdere jaren werkervaring en komen hun kennis bij het IAC bijspijkeren.
Het IAC maakt een transitie door, vertelt Huijsman. ,,We zijn onderdeel
geworden van Wageningen UR en ons cursusaanbod sluit aan bij onderzoek en
onderwijs van de rest van Wageningen UR. We kunnen nu het totale pakket van
life-long learning aanbieden’’, zegt Huijsman. Bovendien zijn de cursussen
korter geworden en is het aanbod van op maat gemaakte cursussen die in
Nederland en in het buitenland gegeven worden uitgebreid. ,, Kernfunctie
van het IAC is het slaan van een brug tussen de vraag uit
ontwikkelingslanden naar specifieke kennis en de state of the art van het
onderzoek van Wageningen UR’’, zegt Huijsman. ,,Die functie wordt versterkt
door de samenhang tussen cursusontwikkeling en adviseringsopdrachten.’’ Die
adviezen gaan steeds vaker over de opbouw van organisaties in
ontwikkelingslanden. Zo wordt bijvoorbeeld gewerkt aan de opbouw van
capaciteit van keuringsdiensten. Als die beter toezien op voedselveiligheid
hebben de landen meer toegang tot westerse markten. Bovendien werkt het IAC
niet meer alleen in ontwikkelingslanden maar ook steeds meer in Oost-
Europa. ,,Vraaggericht werken is bij dat alles het uitgangspunt. Het IAC
kan niet meer rekenen op een vast aantal cursisten met studiebeurzen, maar
moet actief de markt op. We zien daarin vooral kansen en niet zozeer
bedreigingen’’, zegt Huijsman. Toch ging het financieel niet best met het
IAC in 2002. Het draaide bijna een half miljoen euro verlies op een omzet
van 9,7 miljoen euro. Volgens Huijsman komt dat door de overgang van
aanbodsturing naar vraagsturing die de organisatie doormaakte. Daarvoor is
een betere eigen administratie nodig van inkomsten en uitgaven, en het IAC
had dat nog niet op orde in 2002, erkent Huijsman. ,,Maar ik ben ervan
overtuigd dat het IAC de capaciteit heeft om in de toekomst quitte te
spelen.’’

Vivre

Naast het Noord-Zuid Centrum loopt een ander project dat Wageningen UR
internationaal beter op de kaart wil zetten. Dat is het Vivre-project
Internationalisering, waarvan Ruben projectleider is. Hij wordt ondersteund
door een taakgroep internationalisering met leden uit alle kenniseenheden.
Ruben is stellig: ,,Door de reorganisatie van de afgelopen jaren is er veel
te weinig aandacht besteed aan Wageningen UR als internationale
instelling.’’ De Vivre projecten zijn opgezet door de raad van bestuur van
Wageningen UR om strategische vragen binnen de organisatie aan te pakken.
Het Vivre-project Internationalisering buigt zich, vertelt Ruben, over de
toekomst van Wageningen UR als internationale kennisinstelling op de
langere termijn. Ruben brengt onderzoekers en docenten van verschillende
kenniseenheden bij elkaar die ideeën hebben over internationalisering. Een
van de ideeën is dat netwerken van alumni een grotere rol moeten gaan
spelen. Ook aan de orde is de manier waarop Wageningen UR strategische
samenwerking kan aangaan met kennisinstellingen in het buitenland. Daarbij
kan Wageningen UR lokale vestigingen gaan oprichten in joint ventures met
die partners. Plannen daarvoor spelen bijvoorbeeld in Oost-Europa. Ten
slotte zouden ook de contacten die onderzoekers hebben in verschillende
internationale organisaties beter bij elkaar gebracht en benut kunnen
worden, zodat iedereen weet wat prioriteit heeft op de internationale
beleidsagenda.
Ruben is alleen de aanjager van discussie over al deze onderwerpen. Hij
gaat de ideeën niet zelf uitvoeren maar laat dat over aan verschillende
mensen in de kenniseenheden. Het bijeenbrengen van internationale contacten
zou bijvoorbeeld goed ondergebracht kunnen worden bij het Noord-Zuid
Centrum. Ruben maakt duidelijk dat het Vivre-project van tijdelijk aard is,
juist omdat de uitvoering binnen de organisatie wordt belegd. Uiteindelijk
moet het Noord-Zuid Centrum het internationale gezicht van Wageningen UR
worden, maar het moet daarvoor nog wel prestige opbouwen. Daarnaast kunnen
ook individuen uit de kenniseenheden de toon aan blijven geven.’’

Joris Tielens
foto Guy Ackermans

Re:ageer