Wetenschap - 1 januari 1970

Rivo wil kokkels kweken in Zeeland

De kokkelvisserij in de Waddenzee ligt al tijden onder vuur. De Oosterschelde is wellicht een goed alternatief. De jonge kokkels uit de Westerschelde die anders elke winter verloren gaan, kunnen daar ongestoord volwassen worden. Dat stellen onderzoekers van het Rivo.

Schelpdierexpert dr. Aad Smaal van het Nederlands Instituut voor Visserij Onderzoek (Rivo) heeft een plan: jonge kokkels verzamelen in de Westerschelde en naar de Oosterschelde brengen. ‘We hebben waargenomen dat er in het voorjaar doorgaans een goede broedval van kokkels is in de Westerschelde, waarschijnlijk omdat er weinig natuurlijke vijanden zijn. Maar ze sterven vervolgens en masse in de winter.’
De toestroom van zoet water vanuit de Schelde is dan zo groot dat de kokkels het niet overleven. De kokkel kan wel een beetje zoet water aan, maar niet teveel. Smaal: ‘Door het kokkelbroed in de Oosterschelde groot te laten worden, benutten we toch deze bron van schelpdieren.’
Smaal en zijn Spaanse collega José Rueda van de Universiteit van Málaga en drs. Huub Scholten van de Wageningse leerstoelgroep Toegepaste Informatiekunde hebben een model ontwikkeld op basis van ondermeer de watercondities in de Oosterschelde en groei-eigenschappen van kokkels. Dat is onlangs gepubliceerd in het Journal of Sea Research. De uitkomsten zijn hoopgevend: er zijn per vierkante meter tot zo’n duizend kokkels te telen. Dit kan grofweg vijfentwintigduizend tot vijftigduizend euro opleveren per hectare. Het zijn eerste schattingen, maar het is het waard om kokkelteelt op beperkte schaal uit te proberen, menen de onderzoekers. Voor het ministerie van LNV en de schelpdiersector gaan ze een gedetailleerd plan uitwerken.
Kokkelbroed produceren in kweekvijvers is een andere optie. Daarmee kan worden ingesprongen op het natuurbeleid voor Zeeland. Aangezien de Westerschelde verder wordt uitgediept voor de scheepvaart en hiermee natuur wordt verstoord, zoekt de overheid namelijk naar mogelijkheden voor natuurcompensatie. Er wordt gedacht aan nieuwe zilte natuurgebieden aan de randen van de Zeeuwse polders. Smaal: ‘Naast deze nieuwe natuurgebiedjes zouden kokkelkwekerijen kunnen komen.’
Het is wel zaak om nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen, en het is nog de vraag hoe de lokale bevolking denkt over introductie van kokkelkwekerijen en eventuele verstoring van het landschap.
Met het kweken van kokkels en uitzaaien hiervan in kustgebieden is in Spanje al veel ervaring opgedaan, onder meer in Baskenland en Galicië. Smaal: ‘Voor een goede kwaliteit is het bijvoorbeeld belangrijk dat bij het opvissen geen zand in de kokkels terechtkomt. Het is ook een sinecure om kokkels in de juiste dichtheid te kweken. Niet te veel, want dan groeien ze niet, maar ook niet te weinig want dan blijft er door sterfte en predatie te weinig over.’
Wat we volgens Smaal in ieder geval van de Spanjaarden kunnen leren, is dat kokkels lekker zijn. ‘Spanjaarden weten de lekkere smaak van deze schelpdieren te waarderen in gerechten als paella. Het is toch vreemd. Wij wonen ook aan zee, maar hebben geen traditie om veel vis en schelpdieren te eten. Terwijl het bereiden van bijvoorbeeld kokkels simpel is: even koken en een beetje groente erbij.’
Wilde kokkels uit de Waddenzee werden tot nu toe geëxporteerd naar vooral Spanje en Portugal, en de in Zeeland opgeviste Japanse oesters gaan naar Italië. De Zeeuwse kokkel zal waarschijnlijk dus ook wel verkocht worden, ook al is er geen markt voor in Nederland. / HB

Re:ageer