Wetenschap - 1 januari 1970

‘Risico Bt-gewassen nog nauwelijks bekend’

‘Risico Bt-gewassen nog nauwelijks bekend’

‘Risico Bt-gewassen nog nauwelijks bekend’


De risico’s die de teelt van de genetisch gemodificeerde Bt-gewassen
oplevert voor andere organismen zijn nog maar nauwelijks onderzocht,
stellen de Wageningse entomologen dr Bart Knols en prof. Marcel Dicke in
een opiniebijdrage in Nature Biotechnology van deze week. Zij bepleiten een
gedegen ecologische risicoanalyse voordat dergelijke gewassen in Europa
geïntroduceerd worden.

Wereldwijd wordt op miljoenen hectares genetisch gemodificeerde Bt-gewassen
geteeld. De planten produceren gifstoffen, die oorspronkelijk gemaakt
worden door de bacterie Bacillus thuringiensis, waardoor minder
insectenvraat optreedt.
De publicatie van Knols en Dicke in het door biotechnologen meest
geciteerde tijdschrift is niet toevallig een week voor de bijeenkomst van
de wereldhandelsorganisatie WTO. De ‘handelsbelemmerende’ houding die
Europa ten opzichte van genetisch gemodificeerde gewassen inneemt is door
de Verenigde Staten hoog op de WTO-agenda is gezet. ,,We hebben er bewust
voor gekozen de discussie op scherp te zetten. De ecologische gevolgen van
het gebruik van Bt-gewassen zijn nog altijd onderbelicht. In het onderzoek
van de biotechbedrijven voor de introductie op de Amerikaanse markt, wordt
eigenlijk alleen gekeken naar korte-termijneffecten. De meeste vragen die
ecologen stellen worden niet beantwoord’’, vindt Dicke. In het nummer van
Nature Biotechnology staat ook een artikel van de US Environmental
Protection Agency (EPA) dat stelt dat Bt-gewassen veilig zijn voor mens en
milieu. De wetenschappelijke bewijzen hiervoor zijn in de bijdrage van de
EPA echter niet te vinden, meent Dicke.
Dicke baseert zich hierbij op een inventarisatie van mogelijke risico’s van
Bt-gewassen die hij en Knols recent hebben opgesteld in opdracht van de
Nederlandse Commissie voor Genetische Modificatie (COGEM). Hierin oordelen
negen prominente Nederlandse ecologen, waaronder drie Wageningse
hoogleraren, dat de gevolgen van Bt-toxines op organismen die geen
gewasschade veroorzaken, en soms zelfs een rol spelen in de beheersing van
plagen, nog nauwelijks bekend zijn.
Dicke: ,,De Bt-gewassen zijn zo gemaakt dat de productie van de endotoxines
continu plaatsvindt. Dat is een heel andere situatie dan wanneer je het
toxine als gewasbeschermingsmiddel over het gewas spuit. In dat geval is de
werking slechts van korte duur omdat de gifstof onder invloed van zonlicht
relatief snel wordt afgebroken. Er zijn weliswaar in het veld nog geen
organismen gevonden die een ongevoeligheid tegen Bt-gewassen hebben
ontwikkeld, maar daar kun je op wachten. In het laboratorium zijn zulke
resistente insecten al wel gevonden. Alle organismen in de omgeving worden
aan de toxine blootgesteld, niet alleen de larven van het doelinsect, zoals
de maïsboorder of de maïskever, die je liever kwijt dan rijk bent, maar via
het stuifmeel ook nuttige lieveheersbeestjes en zeldzame vlinders.’’
Volgens Dicke is dit probleem veel nadrukkelijker aanwezig in Europa, omdat
het landschap veel meer gefragmenteerd is. ,,In Amerika heb je grote
landbouwgebieden en grote natuurgebieden, die hebben een relatief klein
grensvlak. In Europa is de uitwisseling tussen die twee veel intensiever.
Bovendien zijn bijvoorbeeld vlinders veel kwetsbaarder omdat ze maar over
een klein leefgebied beschikken.
Het in Amerika vaak gehekelde voorzorgprincipe – pas toestemming verlenen
als redelijkerwijs vastgesteld is dat het transgene gewas veilig is – is
volgens Dicke zo gek nog niet. ,,Als er iets misgaat ben je veel verder van
huis. Niet dat je alle risico’s kunt uitsluiten, maar nu doen bedrijven
echt veel te weinig aan ecologische risicoanalyses. Ik heb studies gezien
waarin bedrijven de effecten van transgene pollen alleen onderzochten op
watervlooien. Uitstekende modelorganismen, maar toch vooral geschikt voor
het monitoren van waterkwaliteit.

Re:ageer