Organisatie - 6 december 2007

Rimboetoelage bij verhuizing naar Lelystad

De Houtribweg en Edelhertweg in Lelystad waren ‘verbanningsoorden’ voor de Amsterdamse en Rotterdamse medewerkers van het Centraal Diergeneeskundig Instituut (CDI). De polder bood ruimte, maar vroeg ook om offers. Zo ‘moesten’ medewerkers trouwen om in Lelystad te mogen wonen, maar dan kregen ze wel een ‘rimboetoelage’.

De afdeling Parasitologie kreeg in 1970 een nieuw onderkomen op de kale vlakte van de Flevopolder.
De afdeling Parasitologie kreeg in 1970 een nieuw onderkomen op de kale vlakte van de Flevopolder.

Foto: ASG

‘We moesten inderdaad trouwen. Als je niet getrouwd was, werd je verbannen naar het kamp voor vrijgezellen bij Lelystad-Haven. Hokken was er in die tijd niet bij’, vertelt Fred Borgsteede (63), nog steeds als parasitoloog werkzaam in Lelystad.
Borgsteede en zijn collega Cor Gaasenbeek zijn de enige twee overgebleven medewerkers die al in november 1970 vanuit Rotterdam naar Lelystad verhuisden. ‘We zijn beiden vlak daarvoor getrouwd. Dan kreeg je tenminste een woning in Lelystad, toen een dorp met 3500 inwoners. Vanwege de onvolkomenheid van de samenleving kreeg je het eerste jaar een toelage van veertig procent op de huur, de zogeheten rimboetoelage’, lacht Borgsteede.
De parasitologen streken als eersten in Lelystad neer in tijdelijke huisvesting aan de Edelhertweg. Borgsteede: ‘Toen wij er kwamen washoud het echt één kale vlakte. Ruimte was de reden waarom we naar de polder gingen. We wilden veldexperimenten met rundvee doen en dat kon niet in Rotterdam.’ Ruimtegebrek dreef ook de Amsterdamse virologen van het CDI naar de polder. In 1972 werd voor hen aan de Houtribweg een geïsoleerd complex geopend, enkele kilometers ten noordwesten van de Edelhertweg.
Toen tien jaar later het hoofdgebouw van het CDI aan de Edelhertweg werd neergezet, kwam ook de rest van de Rotterdammers naar de polder. De twee locaties hielden een zekere rivaliteit. ‘Er heerste een andere sfeer. Niet echt Ajax-Feyenoord, maar bij het bedrijfsvoetbal waren de wedstrijden tussen CDI-P en CDI-V wel derby’s. Meestal wonnen wij’, constateert Borgsteede tevreden.
De rivaliteit komt voort uit de min of meer afgedwongen fusie in 1959 tussen de Rijksseruminrichting (RSI), in 1904 opgericht in Rotterdam, en het Staatsveeartsenijkundig Onderzoeksinstituut (SVOI). Dat ontstond in 1930, met name om het zeer besmettelijke mond- en klauwzeervirus te bedwingen dat herhaaldelijk de Nederlandse veestapel teisterde. Het SVOI werd eerst ondergebracht bij het RSI, maar verhuisde in 1941 naar de marinewerf op Kattenburg in Amsterdam. Beide instituten kampten al spoedig met een ernstig ruimtegebrek. Fusie en huisvesting op een nieuwe locatie lag in de rede. In 1953 werd zelfs al het landgoed Houdringe aangekocht bij De Bilt, direct naast het huidige RIVM. Apeldoorn was even in beeld, maar het was ir. A.P. Minderhoud, landdrost van Oostelijk Flevoland, die het CDI naar de polder wist te lokken.
Ruimte was er genoeg, maar de bestuurders vroegen zich af of mensen er wel wilden werken: er werd zelfs gesproken over een ‘verbanningsoord voor ongehuwd vrouwelijk personeel’. Slechts veertig procent van het personeel waagde uiteindelijk de stap. Het hoofdkwartier aan de Edelhertweg met maar liefst 46 vleugels, zat volgens Borgsteede vanaf de oplevering in 1982 ‘zeer ruim in haar jasje’.
Geen probleem want door bezuinigingen en fusies trokken langzamerhand alle veeteeltkundige instituten in het gebouw. Het werd in 1994 het hoofdgebouw van het Instituut voor Veehouderij en Diergezondheid, het latere ID-Lelystad, waarin ook het CDI opging. De wettelijke taken splitsten in 2002 weer af tot Centraal Instituut voor DierziekteControle (CIDC-Lelystad). Borgsteede: ‘Voor mij is de cirkel bijna weer rond. Als op 1 januari de divisie Infectieziekte fuseert met het CIDC-Lelystad tot Centraal Veterinair Instituut heeft dat – in het Engels - precies dezelfde naam als het instituut waar ik ooit ging werken.’

Re:ageer