Wetenschap - 8 maart 2001

Retour Wageningen UR

Retour Wageningen UR

Deel 1 van een tiendelige feuilleton

Ik was op weg terug naar Wageningen, en het regende ineens pijpenstelen. Het fietspad langs de Mansholtlaan stond binnen tien minuten bijna helemaal blank en ik moest flink door diepe plassen trappen om op tijd thuis te zijn. In Ede was ik naar een lezing geweest in een serie van vijf over oude beschavingen uit het Midden-Oosten. Eigenlijk was ik erheen gegaan omdat ik een grote interesse heb voor het oude Egypte, maar de lezing van deze avond over Mesopotami? had me enorm geboeid, en ik had te lang met de spreker nagesproken over de betekenis van Mesopotami? voor de wereldgeschiedenis.

Ik had een dun, wit katoenen jurkje aan - het was immers bijna twintig graden - en had voor de zekerheid een wollen vest meegenomen. Het kleddernatte, bruine vest hing inmiddels als een loodzware, vormeloze massa over mijn schouders en ik stapte af om het uit te trekken. Ook mijn jurk was inmiddels doorweekt, en in eerste instantie maakte ik me nog zorgen of het niet te sexy was om zo over straat te gaan. Het regende echter zo hard dat ik geen honderd meter ver kon kijken, en binnen die honderd meter zag ik geen tweede idioot die zich in dit weer waagde. Bovendien had ik al lang het gevoel dat niemand interesse had in mijn twee?nveertig jaar oude lichaam. Ook mijn doorweekte schoenen-met-hakje trok ik uit. Ik stopte ze samen met het vest onder mijn snelbinders en sprong weer snel op mijn fiets.

Vlak voor de Droevendaalsesteeg werd mijn oog getrokken door een groot blauw bord op een van de gebouwen van Alterra. Vaag zag ik door de regen wat de aanduiding op het bord was. 'UR' stond er. Ik wist dat er borden geplaatst waren met 'Wageningen UR', maar ik had nog nooit het verband getrokken tussen UR en Ur, de oude stad uit Mesopotami?. Nu, op de weg terug van een lezing die grotendeels over Ur was gegaan en in slagregens die de witte letters van het woord 'Wageningen' onzichtbaar maakten tegen het witte gebouw er achter, was het voor mij echter glashelder. Ik raakte in volledige vervoering. Ik had het gevoel dat ik Ur binnenfietste. Ur, de oerstad van alle steden, en het was m?jn stad, m?jn Wageningen! Zonder het te merken, was ik steeds harder gaan trappen, en het bord UR was nu duidelijk zichtbaar; ik kon mijn ogen er niet vanaf houden en mijn fantasie sloeg volledig op hol. Ik zag Wageningen voor me zoals ik Ur altijd had voorgesteld: oude gebouwen, hoge torens, en...

Ik had de bomen niet eerder gezien en toen ik ze wel zag, was het te laat. Met een enorme klap sloeg ik met mijn hoofd tegen een boom die vlak naast het fietspad stond. Direct verloor ik mijn bewustzijn.

Toen ik bijkwam, regende het nog steeds, dus ik nam aan dat ik niet al te lang bewusteloos was geweest. Verdwaasd keek ik om me heen, maar zag nergens meer mijn fiets met mijn schoenen en het oude wollen vest onder de snelbinders.

"Hufters!" riep ik uit.

Ik was inmiddels gewend geraakt aan fietsendiefstallen, maar een fiets stelen van iemand die er zelf bewusteloos naast ligt, is een misdrijf tegen de menselijkheid.

"Hufters", zei ik daarom nog maar eens hardop tegen mezelf, sloeg wat vuil en dorre bladeren van mijn jurk, en liep blootsvoets door de berm in de richting van Wageningen.

Als bij toverslag verdwenen de slagregens, eigenlijk net zoals ze begonnen waren.

"Plaatselijk een bui", zei ik hardop.

Ik moest mezelf moed inpraten om niet in tranen uit te barsten.

Nog steeds aangeslagen, keek ik verwonderd om me heen. De regen had het landschap goedgedaan, bedacht ik me, want de bosschages rond de Mansholtlaan waren manshoog. Vanaf de berm kon ik daardoor de asfaltbanen voor het autoverkeer zelfs niet meer zien. Niet dat er auto's reden, zo te horen. Blijkbaar had het noodweer iedereen van de straat gehouden.

Langzaam verdwenen de plassen van het fietspad, en werd het wegdek zichtbaar. De toplaag was volledig weggeslagen, en alles wat resteerde was zand en stenen. Angstvallig zorgde ik ervoor dat ik in de berm bleef lopen, zodat ik mijn voeten niet bezeerde.

Ik was nog geen vijftig meter verder toen er uit de manshoge struiken een man van mijn eigen leeftijd stapte, gekleed in een witte jurk die ook veel op de mijne leek. Travestiet was hij niet, want travestieten zijn vriendelijke mensen, in mijn beleving tenminste, en deze man sprak me bars aan.

"Wat doe je hier?" vroeg hij.

Een tweede, oudere, man in vergelijkbare kledij stapte achter hem de bosjes uit en voegde zich bij hem.

"Ik ben op weg naar huis", zei ik naar waarheid. "Ik kom uit Ede en ga nu naar Wageningen."

Om mijn verhaal kracht bij te zetten, wees ik eerst naar het noorden, waar ik ieder moment de Interliner vandaan verwachtte, die ik beter had kunnen nemen dan te gaan fietsen, en toen naar het zuiden.

"Gek!" zei de jongste man.

Voor mij was het niet duidelijk of hij het over mij had, of over het feit dat iemand ?berhaupt van Ede naar Wageningen fietst. In dit weer, natuurlijk, bedacht ik me.

Zo luchtig mogelijk gaf ik antwoord.

"Ja, het is snertweer," gaf ik toe, "maar ik heb niet zo'n vertrouwen in de Interliner, en fietsen leek me wel lekker. Ik wist ook niet dat het zo zou gaan regenen. En ik heb nog wel een bijvak gedaan bij Meteorologie!"

Mijn humor was niet aan hen besteed.

"Knettergek", was de reactie van de oudste man. "Kom maar mee", voegde hij me met enige dwang toe.

Ik wist niets beters te bedenken dan tussen de twee mannen richting Wageningen te lopen, in de hoop dat net die ene verdwaalde politieauto die Wageningen dagelijks aandoet, precies op dit moment voorbij zou komen.

Over mijn hoofd heen voerden de mannen een gesprek, terwijl we in flinke pas de Mansholtlaan afliepen, die door zoveel groen was omgeven dat ik zelfs de sterflats niet kon zien.

De jongste man liep voorop en nam niet de moeite om zijn hoofd om te draaien terwijl hij tot de oudere man achter me sprak; hij praatte gewoon wat harder.

"Zou ze van nut kunnen zijn?"

"De oogst is dit jaar enorm tegengevallen, we hebben hard nieuwe aanwas nodig", was de reactie van mijn achterbuurman.

"Maar zou z?j voor meer nieuwe aanwas kunnen zorgen?"

"Kan ik helpen?" vroeg ik. "Ik heb tropische cultuurtechniek gestudeerd!"

"Wat betekent dat? Weet je veel van nieuwe aanwas?" zei de oudere man achter me.

Ik had inmiddels zwaar de pest in mensen die twijfelden aan mijn kunnen, alleen omdat ik na drie achtereenvolgende DG-projecten nu al drie jaar werkloos was. Ik stond op het punt om pissig uit te vallen naar de mannen die ik in gedachten al 'mijn ontvoerders' had gedoopt.

Inmiddels had ik mijn hersenen echter op volle toeren laten werken, voorzover ze niet gehinderd werden door de klap tegen de boom. Maak vrienden met je ontvoerders, zorg dat ze je naam weten, dan is het voor hen moeilijker om je als doelwit te zien, hield ik mezelf voor.

"Kay," zei ik. "Ik heet Kay. Wat is precies het probleem?"

"Te weinig aanwas hebben we. Jaar na jaar wordt het steeds minder."

"Wat voor een gewassen? Doet u aan monocultuur?" vroeg ik, eerlijk gezegd pseudo-ge?nteresseerd.

Nu stond de voorste man direct stil en draaide zich om naar mij.

"Monocultuur?"

Hij sprak het uit alsof het een vies woord was.

"Laat maar, Ydur, we brengen haar wel naar Se'ek. Misschien kan ze helpen."

"Se'ek Namre'ev?"

"Nee, Se'ek Nav-Tsa."

Kay de Wit

Tekening Henk van Ruitenbeek

Re:ageer