Wetenschap - 31 mei 2001

Retour Wageningen UR

Deel 10 en slot: Connecticut Yankee

Wat vooraf ging: Kay is per ongeluk beland in het oude Ur en ontmoet daar de jonge Nevets, met wie ze bevriend raakt. Deze student schrijft anoniem een ironisch vervolgverhaal in het Uriaans Weekblad. Kay deelt zijn kritiek en overlaadt de machtige stadsbestuurders Treb Namle'eps, Se'ek Nav-Tsa en Se'ek Namre'ev met adviezen om orde op zaken te stellen.

Ik was bijna niet meer te stoppen.

"Kom uit uw ivoren toren en begeef u onder de mensen! Toon betrokkenheid!"

"Ahum," kuchte Treb Namle'eps, de burgervader van Ur. "Daar zegt u nogal wat."

Ik wachtte vol spanning af wat hun reactie zou zijn.

"Leest u het Uriaans Weekblad?"

Ik schudde van nee.

"Ik zou anders zweren dat daar precies hetzelfde verhaal, met precies dezelfde moraal en adviezen in staat beschreven."

Uit het geroezemoes onder de acht mannen maakte ik op dat zij het wel hadden gelezen, en dat dat niet veel goeds betekende.

Ik keek zoals ik me voelde, namelijk volledig onbekend met dat verhaal.

Namle'eps ging streng verder.

"Het is dat verhaal van die man die naar een ver land reist dat zijn hele reserve opmaakt aan verbouw en nieuwbouw, en dat de hele natuur en cultuur te gronde richt door alles uit te hollen ten behoeve van snelle economische groei. De anonieme schrijver noemt het daarom Holland, maar Holland bestaat niet. Het is duidelijk dat hij het over Ur heeft."

Nevets!

Dat was het verhaal van Nevets!

Ik was blijkbaar zo geschrokken dat het van mijn gezicht af te lezen was.

"Aha!" zei Namle'eps. "Dus u bent de schrijver daarvan?"

Ik was de schrijver niet, en k?n de schrijver ook niet zijn, want Nevets was er al mee begonnen lang voordat ik in Ur kwam, maar dat wisten de heren niet.

"Voordat u toegeeft, wil ik u het volgende melden."

Hij keek me streng aan.

"Op anonieme beschuldigingen staat de zwaarst denkbare straf die we hebben in Ur. Wij zijn voorstanders van open en eerlijke kritiek."

Waarom had Nevets zijn kritiek in hemelsnaam anoniem geleverd en zichzelf nu in de problemen gebracht?

Zodra ik aan Nevets dacht boog ik mijn hoofd om mijn schuld toe te geven.

"De straf is de kamelenkoers. U zult uit Ur verwijderd worden."

Ik was aangeklaagd en schuldig bevonden en de strafmaat was al vastgesteld. Blijkbaar twijfelden de heren in het geheel niet aan mijn schuld.

Ik hoopte maar ??n ding en dat was dat ik Nevets zou kunnen spreken om hem te vertellen dat ik de schuld op me had genomen en dat hij vrijuit ging. Hem kennende zou hij alsnog zelf schuld bekennen en ik vreesde het ergste voor hem.

Op vrijdagmiddag werd ik blootsvoets vastgebonden op de magerste kameel die het Centraal Vervoerbedrijf nog in lopende conditie had. Vanuit het groene paleis werd ik uitgezwaaid door de Groene Forpen Treb Namle'eps, Se'ek Nav-Tsa en Se'ek Namre'ev. Dat uitzwaaien hield in dat ze alledrie met hun duim omlaag aangaven wat ze dachten van mij als misdadiger.

Ik werd opgejaagd naar het noorden. Heel Ur was uitgelopen om mij mijn straf te zien ondergaan. Het hele pad dat aan de noordkant van Ur van west naar oost liep, ik noemde het zelf altijd de Nijenoord Allee, stond aan weerszijden vol met Urianen. Ik kon niet goed zien of men mij toejuichte of uitjouwde.

Ik keek of ik ergens Nevets zag.

Vlak voor de Talfrets zag ik hem. Ik lachte naar hem, omdat ik niet kon zwaaien. Hij zwaaide bedroefd naar mij en ik wist dat het goed was.

Niet veel later kwamen we aan bij het blauwe bord waarop ik voor het eerst de witte letters UR had gezien. Dat was het sein voor mijn begeleiders om de kameel waarop ik zat een klap met de zweep te geven. Het dier gaf een oerschreeuw en rende op volle snelheid Ur uit in noordelijke richting.

Ik huilde en dacht aan Ur. De stad die ik ooit zo bewonderd had en waarvan ik alles wilde weten. Dezelfde stad die mij als gevolg van een persoonsverwisseling, als misdadiger uit haar hart verdreef. Ik kon niet nalaten van de stad te blijven houden Ik keek om, om nog een laatste glimp op te vangen van Ur...

Ik heb de boomtak waar de gammele kameel mij tegenaan smakte nooit gezien.

"Mevrouw De Wit, wakker worden, uw man is hier!"

Ik opende mijn ogen en schrok me rot van het felle licht.

"Where, where am I?" stamelde ik weinig origineel, maar ik daag iedereen uit om vier dagen bewusteloos te liggen en dan wat anders te zeggen.

"In het ziekenhuis, u heeft een ongeluk gehad."

"Oh, mijn hoofd," kreunde ik.

"Ja, u heeft erg geluk gehad, want u had een zware hersenschudding. Gelukkig kwam precies op tijd de Interliner langs en de buschauffeur waarschuwde de surveillancewagen van de politie, die gelukkig ook in de buurt was."

"Oh, my God."

"Uw man is hier ook."

Pas nu drongen de woorden tot me door. Mijn man was hier?

"Nevets?" zei ik, met mijn handen het licht afschermend, waardoor ik net een bekend gezicht kon ontwaren.

"Ze is waarschijnlijk nog een beetje in de war," zei de stem, waarvan ik niet meer weet of het een vrouwelijke arts of een verpleegster was.

Ik zag Steven en realiseerde me toen pas hoeveel hij op Nevets leek. Feitelijk was Nevets de Steven die ik twaalf jaar geleden had leren kennen.

Steven pakte mijn hand vast.

"Ik blijf bij je," zei hij.

De eerste dagen na het bijkomen uit bewusteloosheid herstelde ik langzaam. Ik had warrige dromen en dacht dat Steven terug was gekomen omdat ik bijna dood was, mij te begraven en de erfenis op te strijken. Later begreep ik dat hij die avond op mijn stoep had zitten wachten en dat de politie hem daar, helemaal verregend, gevonden had. Hij was weg bij de Afrikaanse schone en wilde met mij een nieuwe start maken. Ik wilde niets liever. Dolblij sloot ik ook Bobo weer in mijn armen.

Pas een week later kon ik het opbrengen om weer aan Ur te denken. Voor mij stond wel vast dat ik het niet gedroomd had, en ik ging er vanuit dat ik toch in het echte Ur geweest was, maar dat durfde ik niemand te vertellen, ook Steven niet. Ik wilde ons hervonden prille geluk niet in de waagschaal stellen. Ik wist dan wel zeker ik dat in het verleden was geweest, maar ik wist nog steeds niet of ik daadwerkelijk invloed had gehad op het verloop van de geschiedenis.

Ik pakte de Winkler Prins uit de kast en las.

UR, een der belangrijkste steden van het oude Mesopotami?, waarvan de ru?nes (Tell Muqayyir) in het huidige Irak, ten zuiden van En-Nasiri? (krt. Perzi?/Afghanistan A6), op grootscheepse wijze zijn opgegraven.

Het was ze dus t?ch gelukt. Ur was eeuwenlang een van de belangrijkste steden geweest, dankzij of ondanks mijn goede raad, waarvan ik waarschijnlijk nooit meer zou vaststellen of ze die opgevolgd hadden. Ik probeerde nog even of ik met omdraaien van de namen in de encyclopedie wat oude bekenden kon herkennen.

Llet Riyyaqum. Eirisan-ne.

Zei me niets.

Ik las verder.

Pas na de ??n na laatste regel in het lemma begreep ik dat men mijn advies niet had opgevolgd. 'Door de eeuwen heen is men te Ur blijven bouwen en restaureren.'

Niks broekriem aantrekken. Niets bezuinigen, maar juist volop nieuwbouw. Men had mijn adviezen voor nieuwbouw niet opgevolgd en dat deed mij vermoeden dat ze geen van mijn adviezen hadden opgevolgd.

En toch was Ur groot geworden.

Ik stond weer met twee benen op de grond en trok de enig mogelijke conclusie: ik was wel heel na?ef geweest om te denken dat ik het bestuur van Ur kon adviseren op basis van vergelijkingen met het redden van mijn huwelijk en het opvoeden van een Drentse Patrijshond.

Ik zou me voortaan bescheidener opstellen en meer vertrouwen hebben in het oordeel van wijze, oude mannen in gekleurde jurken.

"Bobo, waar ben je? We gaan lekker wandelen."

Kay de Wit

Inmiddels Bewust Gehuwd En Overtijd

Tekening Henk van Ruitenbeek

Re:ageer