Wetenschap - 29 maart 2001

Retour Wageningen UR

Retour Wageningen UR

Deel 4: Talfrets

Wat vooraf ging: Net aangekomen in het oude Ur, is Kay aangesteld als Temporary Manager Aanwas De Novo bij de Hoofddiscipline Citybelang Ur. Haar taak is te zorgen voor nieuwe aanwas. Langzaam begint ze er achter te komen wat daarmee wordt bedoeld.

De koetsier van Se'ek Nav-Tsa bracht me naar Naj Kolb, een grijzende man die me naar mijn aangewezen huisvesting zou brengen. Vanaf zijn kamer konden we lopend naar mijn slaapkamer, zei hij.

De regen was gestopt en door de warme zon was de aarde opgewarmd en stegen dampen op naar de hemel, condenserend tot laaghangende bewolking.

We stonden binnen twee minuten aan de voet van een hoge toren, waarvan de top in de wolken verdween.

"By God," zei ik, terugvallend in mijn moedertaal, terwijl ik ademloos steil omhoog keek.

"Zo hoog is-t-ie toch niet?" zei Naj Kolb.

De toren van Babel! dacht ik.

De toren van Babel, waar ik zoveel over gefantaseerd had, stond in Ur! Dat moest ik publiceren als ik weer terugkwam.

ALS ik weer terugkwam.

"By God," zei ik nogmaals.

"Zo hoog wilden we oorspronkelijk wel komen, maar dat blijkt niet te kunnen. Nu zijn we bij veertien verdiepingen gestopt," zei Naj Kolb droog. "Door de mist kan je de top niet zien, maar daar..." en hij wees omhoog, "daar is je kamer."

"Hoe heet deze toren?" vroeg ik, trillend op mijn benen.

Als ik kon aantonen dat de toren van Babel niet hoger was geweest dan veertien verdiepingen, was ook dat een belangwekkende historische bevinding.

Zeg het, dacht ik, zeg het! Dit is de toren van Babel!

"We noemen dit de Talfrets," zei hij ontnuchterend. "Kom binnen."

Hij hield de deur voor me open.

Dertien trappen van dertien treden later stond ik voor een deur die - naar ik meende - zou leiden naar mijn nieuwe kamer.

Nadat de deur werd geopend door een jongeling die reageerde op het kloppen van Naj Kolb, bleek echter dat het ging om een afdeling, niets groter of kleiner dan mijn eigen oude studentenafdeling op Pomona.

De mij toebedeelde kamer bleek een van de tien en ook al even klein als op Pomona. Te klein eigenlijk voor een vrouw van twee?nveertig, vond ik zelf. Wat het verschil was met een vrouw van vierentwintig kon ik ook niet aangeven.

Naj Kolb verdween spoorslags, en ik stelde mezelf voor aan mijn nieuwe afdelingsgenoten.

"Kay," zei ik. "Hallo."

"Ben je nieuwe aanwas?" vroegen ze me.

"Nou nee, ik weet het eigenlijk nog niet," hield ik me op de vlakte.

"Hoe oud ben je?"

Weer die vervelende vraag. Zouden ze ook willen weten of ik een BOEK of een DOEK ben?

"Twee?nveertig," verzuchtte ik.

"Ooooh! Je lijkt veel jonger! Geen dag ouder dan vierentwintig!"

Dat beviel me beter. Hier zou ik het wel even uithouden.

"En jullie?" vroeg ik.

"Ik ben acht," zei de eerste, een duidelijk volwassen jongen die zich had voorgesteld als Nevets.

"Ik ben twee," zei Enna-Eiram, die er toch ook als volgroeid uitzag.

"Twee" en "Drie," hoorde ik de overige jongeren zeggen.

Waren deze mensen nestvlieders, net zoals cavia's? In dat geval zag ik met stelligheid af van bevruchting door Kcid, want dan zou het met zekerheid een gecompliceerde bevalling worden.

Iemand die duidelijk van Aziatische afkomst was, leverde alle gegevens die ik nodig had voor een verklaring.

"Ik ben hier ??n jaar, maar in mijn eigen land ben ik al drie. Ik ben een cSM."

Het kwartje viel. Nu begreep ik het. Hier werden je jaren pas geteld als je volwassen was; ik schatte aan de hand van mijn afdelingsgenoten dat volle wasdom hier zo ongeveer achttien jaar was. Twee jaar oud betekende 'twee jaar volwassen'. De cSM had blijkbaar drie jaar als volwassene in een ander land doorgebracht, maar die werden bij gebrek aan bewijs waarschijnlijk niet meegeteld in Ur. Ik was benieuwd hoe oud ik dan was volgens deze telling. Feitelijk kon ik nu zelf mijn leeftijd bepalen. In Ur-jaren was ik - zonder bewijs van jaren in volwassenheid doorgebracht in Wageningen, Afrika en Zuid-Amerika - een nul, een baby, maar dat beviel me niet. 'Eerlijkheid overwint' was mijn voornaamste motto.

"Ik ben twee?nveertig jaren in mijn eigen land, maar volgens jullie telling betekent dat waarschijnlijk dat ik vierentwintig ben."

Dat klonk blijkbaar aannemelijk, en ook was ik niet langer interessant, want als afgesproken verdwenen al mijn afdelingsgenoten op ??n na in hun kamers. Nevets bleef naast me staan.

"Als je ouder bent dan zeven of acht word je hier soms behandeld als een melaatse," zei hij. "Mij maakt het niet uit, ik ben toch graag alleen."

Geheel in tegenspraak met deze laatste opmerking nodigde hij me uit om mee te gaan eten. Hij leende me een paar veel te grote leren sandalen, en lopend waren we binnen vijftien minuten in de eetzaal, waar met een groot bord ENITNAK op stond. Nevets had me er gelukkig aan herinnerd dat ik mijn schaal mee moest nemen, zodat we direct konden aansluiten in de rij voor het eten.

Hij legde uit dat, hoewel het eten wisselend van kwaliteit was, iedereen in Ur in de Enitnak at.

"Behalve de beide Se'eks. Van iedereen is dan ook bekend wat hun schaal is, behalve van de Se'eks," zei hij. "Kijk, ik heb zelf een leren nap. Alle aanwas heeft een nap. Ze noemen ons ook wel Nap-aanwas."

Hij hield iets omhoog wat er uitzag als een harde, leren beurs, met een leren touwtje langs de rand waarmee het kommetje kon worden gesloten als een ouderwetse tabakszak.

Beschaamd en achteraf toch heel tevreden, stopte ik mijn eigen schaal 10 achter mijn rug.

Eenmaal aan de beurt in de gaarkeuken, kreeg ik mijn schaal 10 vol rijst, groenten en kipfiletjes. Nevets kreeg in zijn beurs een handjevol rijst, wat groenten en de velletjes van misschien wel mijn eigen kipfilet. Snel zochten we een plekje aan een tafeltje waar verder alleen jonge aanwas zat.

Nevets viel hongerig aan op zijn nap, en ik had ook wel trek gekregen van deze zware dag. Toen Nevets zijn eten ophad, en ik ondanks mijn enorme honger niet verder kwam dan de helft van mijn rijst, groenten en kip, schoof ik mijn schaal een beetje in zijn richting.

Schichtig keek hij om zich heen, en pakte toen een handvol rijst en de rest van mijn vlees. Hij at het lachend op.

Ik had mijn eerste vriend in Ur gemaakt.

Misschien had ik die hard nodig, want hoe lang zou ik hier wel niet gevangen zitten? En wat zou mijn levensdoel moeten worden in deze negorij?

In ieder geval wilde ik meer weten van de aanwas. Woonden ze hier vrijwillig, of waren ze geroofd uit Uu en andere steden?

Ik wachtte in spanning af wat mijn eerste opdracht zou zijn van Kcid Nav-Ena'az.

Kay de Wit

Tekening Henk van Ruitenbeek

Re:ageer