Wetenschap - 15 maart 2001

Retour Wageningen UR

Retour Wageningen UR

Deel 2: Paleis

Mijn ontvoerders brachten me verder naar het zuiden.

Ik zag niets van het mij bekende Wageningen. Geen nieuwe rotonde, geen Alterra, geen Chinees-Japans restaurant en ook 't Gesprek was volledig van de kaart en vervangen door naaldbossen.

Inmiddels waren we aangekomen bij een groot blauw, vierkant bord, waar met twee grote witte hoofdletters 'UR' op stond.

"Waar zijn we?" vroeg ik?

De jongste man wees als een schoolmeester op het grote bord en sprak me toe alsof ik een analfabeet was.

"Ur," zei hij, en hij sprak het uit als 'oer'. "Waar anders?"

Zo'n kwartier flink doorstappen later stond ik in de kamer van wat ik aannam dat de grote baas was. Mijn ontvoerders en ik hadden een pad afgelegd door bossen en velden, met her en der lemen huizen en hutten er tussen. Als het Wageningen was geweest, wat gezien de vorm van de heuvels best had gekund, dan was ik nu ongeveer op de hoek van het Plantsoen en Costerweg. Alleen stond ik nu niet voor de collegezaal op Duivendaal, maar voor een reusachtig groot paleis van groene stenen, ik dacht zelfs jade, in de vorm van de Arc de Triomphe. De omgekeerde magneet, want daar deed het me toch het meest aan denken, stond in een slotgracht van het zuiverste blauwe water dat ik ooit gezien heb. Via een bruggetje kwamen we bij de linker pilaar, die in vooraanzicht, evenals de rechterpilaar en het dwarsliggende gedeelte, zuiver rechthoekig was. Eenmaal binnen kwamen we direct in een hal met marmeren vloeren. Hoge bamboeplanten sierden de ruimte op. Enkele minuten later stonden we in de kamer van een streng ogende man met een donkere bos haar op zijn voorhoofd, gekleed in een groene jurk.

"Wie ben je?" vroeg de grote baas.

"Kay," zei ik in aansluiting op zijn tutoyeren. "Kay de Wit."

Ik vroeg me af of ze hier een soort IKEA-benadering hadden voor vreemden, en dat iedereen met 'je' werd aangesproken. Misschien zou ik een goede beurt maken als ik terug zou tutoyeren. Misschien was het echter zo'n cultuur waar de bazen iedereen 'je' noemen, maar zelf beslist met 'u' willen worden aangesproken.

Voor de zekerheid zei ik maar niets.

"Wat doe je hier?"

"Ik was op weg naar huis. Ik woon in de Tarthorst," zei ik.

"Waarheen?"

"De Tarthorst," zei ik. "In Wageningen."

"Nooit van gehoord."

Hij keek me kort aan, maar keek direct weer weg.

"Ydur zei dat je ons zou kunnen helpen met de nieuwe aanwas."

"Ik h?b tropische cultuurtechniek gestudeerd," zei ik.

"Wat?"

De opleiding was toch nog niet zo lang opgedoekt dat de naam volledig obsoleet was, vroeg ik mezelf af. Maar meer en meer begon het tot me door te dringen dat ik niet in Wageningen was, maar in Ur, de stad uit de oudheid. Tropische cultuurtechniek moest nog worden uitgevonden, realiseerde ik me. Ik had als het gevolg van de klap tegen de boom en mijn dromerij over Mesopotami? een reis door de tijd gemaakt, net zoals Danny Kaye in A Connecticut Yankee in King Arthur's Court. Deze film had ik als kind minstens drie keer gezien en ik kende hem bijna uit mijn hoofd. Danny Kaye had met zijn, voor die tijd moderne kennis en met behulp van een almanak behoorlijk indruk weten te maken op de middeleeuwers waar hij tussen terecht was gekomen.

Ik moest proberen te overleven in mijn anti-chronologische ontvoering naar Ur, en het verhaal van Danny Kaye en de Connecticut Yankee gaf mij hoop. Ik hoopte eindelijk eens goede sier te kunnen maken met mijn ingenieurstitel!

"Ik ben deskundig op dat gebied," zei ik.

"Hoe oud ben je?" vroeg Se'ek Nav-Tsa.

"Twee?nveertig," zei ik naar waarheid, hoewel ik er zelfs tegenover mezelf liever over loog.

Se'ek Nav-Tsa fronste zijn wenkbrauwen.

"Is dat niet te oud om nog aanwas te willen verwerven?"

Hij trof me op een gevoelige plek. Een misselijkmakend gevoel verspreidde zich vanuit mijn maag via mijn hart naar mijn hersenen. Bedoelde hij k?nderen? Verwees hij naar het feit dat ik op mijn twee?nveertigste nog kinderloos was? Hoe wist hij dat?

"Ik denk dat ik het nog wel in me heb," zei ik, me afvragend wanneer ik mijn laatste ongesteldheid had gehad. "Ik ben gewoon een BOEK."

"Een boek?"

Nu verschenen zijn fronsende wenkbrauwen van onder de bos haar die op zijn voorhoofd hing.

"Bewust Ongehuwd En Kinderloos," zei ik.

Die term had ik zelf bedacht, en er in Wageningen enige bekendheid mee verworven, maar in Ur zou het wel een nieuwtje zijn.

"Onzin," was zijn reactie kort en afgemeten.

Weer ging er een misselijkmakende golf door mijn hart en hersenen. Kon de man door mij heen kijken?

Ik had mezelf inderdaad afgevraagd of ik volgens mijn eigen terminologie wel een BOEK was.

Nadat meneer De Wit was blijven hangen aan een Afrikaanse schone, had ik het lef niet om me opnieuw te binden. Ik had niet willen scheiden en zijn naam gehouden met de smoes dat ik die op publicaties had gebruikt en daar wilde blijven gebruiken. Bovendien had ik een Engelse achternaam, en had ik gemerkt dat je dan, zelfs in Wageningen, een uitzondering was die ik niet wilde zijn.

Allemaal smoesjes, want ik kon nooit grote stappen nemen in mijn leven, en dat was de oorzaak van alles.

Ik hield mezelf voor dat ik ook geen kinderen wilde, maar soms droomde ik van kinderen met mijn man en was ik meer een DOEK dan een BOEK.

"Een DOEK?" vroeg ik. Zonder zijn reactie af te wachten, gaf ik zelf de verklaring. "Desperaat Ongehuwd En Kinderloos?"

"Onzin," zei hij. "En ik wil het woord 'kinderen' niet meer horen. We hebben er allerlei namen voor gehad, en hebben gekozen voor aanwas. Je mag het aanwas noemen, en niet anders."

Ik was volledig ontredderd. Ik moest er achter zien te komen wat de man van me wilde, en besloot dat gewoon te vragen.

"Kunt u me vertellen wat precies het probleem is?"

Voor het eerst bood hij me een stoel aan. Een rotan stoel zoals ik die eind jaren zestig in mijn slaapkamer had gehad.

"Ga zitten, dan zal ik het je vertellen."

Zuchtend stortte ik neer in de vertrouwde stoel.

Kay de Wit

Tekening Henk van Ruitenbeek

Re:ageer