Organisatie - 13 september 2007

Remt hiërarchie de vernieuwing?

Jonge onderzoekers zijn het meest creatief. De huidige universitaire hiërarchie beperkt echter hun vrijheid en remt vernieuwing af. Dat zei minister Plasterk vorige week bij de opening van het Academisch jaar in Utrecht. Hij pleit voor onderzoeksgroepen met aio’s, postdocs en één groepsleider. Heeft hij gelijk? Houden oude bobo’s het revolutionaire onderzoek van jonge honden tegen?

315_opinie_0.jpg
315_opinie_0.jpg

Foto: .

Dr. Bart Thomma (35) van de leerstoelgroep Fytopathologie, ontving zowel een veni- als een vidi-subsidie voor zijn onderzoek naar de biologie van schimmels die plantenziekten veroorzaken
‘Ik mag hopen dat de creativiteit niet met de jaren afneemt. Volgens mij kun je dit ook niet zo algemeen stellen. Ik denk wel dat jongere onderzoekers flexibeler zijn in de keuze voor het onderzoeksonderwerp. Als je al veel langer bezig bent gaat men verwachten dat je bij een bepaald thema blijft. Ook kunnen jonge onderzoekers eerder vorm geven aan wildere ideeën omdat ze fondsen zoals de veni- en vidi-beurs kunnen aanvragen.
Ik ben zelf in België gepromoveerd. Daar heb je eigenlijk het systeem dat Plasterk voorstelt. Terwijl in Nederland een hoogleraar een project heeft en daar een aio voor zoekt, bedenkt een Belgische aspirant-aio zelf een project, zoekt een geschikte promotor en dient het voorstel ter financiering in. Maar als je heel realistisch bent komen beide systemen aan het eind vaak op hetzelfde neer. Het is een illusie dat door het systeem in België de aio altijd de drijvende kracht is. Ook daar is het vaak de hoogleraar die een idee heeft en daar een goede student bij zoekt.
Toch denk ik wel dat een goede student in België meer kans heeft om een aioplek te krijgen op een onderwerp van zijn keuze. De academische structuur hier is meer vastgeroest, waardoor er weinig doorstroming is. Dit wordt deels doorbroken door bijvoorbeeld een vidi-subsidie. Dit soort fondsen geeft ruimte aan vernieuwende ideeën en leidt vaak tot opname van een jonge onderzoeker in de vaste staf van de vakgroep. Frisse ideeën worden zo toch beloond.’

Dr. Pieternel Luning (44), universitair hoofddocent bij de leerstoelgroep Productontwerpen en kwaliteitskunde[img]
‘Hebben wij die hiërarchie dan? Ja, op papier, maar in de praktijk is dat niet merkbaar. Onze professor zegt vaak genoeg gekscherend dat hij helemaal niks meer te zeggen heeft.
Ik denk wel dat veel UHD’s en UD’s allemaal hun eigen kindje hebben en zo het onderzoek sturen. Als de interesse van de professor ook nog eens heel eng zou zijn, kan het moeilijk zijn voor jonge onderzoekers om met nieuwe ideeën aan te komen. Maar dat komt toch nauwelijks voor? Zelf had ik als PhD’er het gevoel dat ik enorm geprikkeld werd om goede ideeën te bedenken. En dat is zeker niet minder geworden.
Ik vind het een erg smalle manier van denken om maar één groepsleider te hebben en verder alleen maar aio’s. Wij zoeken binnen de leerstoelgroep juist naar méér mensen die jonge onderzoekers kunnen ondersteunen en prikkelen om verder te kijken. Begeleiders stimuleren hen om kritisch te zijn en een onderwerp van verschillende invalshoeken te bekijken.
Wel denk ik dat het stimulerend voor de wetenschap is dat we clusters van kernonderzoeksvragen opstellen. Binnen een cluster kunnen allerlei projecten een plek krijgen. En het zou natuurlijk fantastisch zijn als aio’s met eigen onderzoeksvoorstellen daarin een plaats kunnen krijgen. Wij proberen de studenten die heel goed zijn ook te helpen in hun zoektocht naar geld voor een eigen project, zoals de veni- en vidibeurzen of andere fellowships. Maar daar zijn er maar heel weinig van.’

Prof. Marcel Dicke (49), hoogleraar Entomologie, won dit jaar de Spinozaprijs. De jury noemde hem inventief en origineel[img]
‘Ik geloof er helemaal niets van dat de creativiteit afneemt met de jaren. Ik zie vele projectvoorstellen van zowel jonge als oude onderzoekers voorbij komen. Daaruit blijkt niet dat jongeren creatiever zijn dan ouderen. Het is ook raar om de algemene conclusie te trekken dat oudere mensen met minder nieuwe ideeën aankomen dan jonge. Dat zou dan toch ook voor de politiek moeten gelden?
Ik heb trouwens niet het idee dat Plasterk zelf de laatste jaren minder creatief was dan vroeger. Maar nu hij deze uitspraak heeft gedaan, vraag ik me toch af waar dit idee vandaan komt. Misschien slaat het wel op hem zelf? Ik weet het niet hoor, maar heel veel collega wetenschappers waren verbaasd over zijn stap naar de politiek, omdat dit definitief het einde van zijn wetenschappelijke carrière betekent. Misschien heeft hij deze zet wel gedaan omdat hij zichzelf niet meer innovatief vond?
Ik ben in ieder geval geen voorstander van het Amerikaanse systeem, waar onderzoekers volledig onafhankelijk naast elkaar werken. Het Nederlandse systeem van leerstoelgroepen heeft duidelijk meerwaarde. Zolang de groep gefocust is kun je met meer massa veel meer bereiken dan wanneer je ieder voor zich werkt. Als je in zo’n groep jongeren en ouderen hebt, kan ervaring gedeeld worden en bouw je aan een continuïteit van wetenschapskwaliteit. In de VS heeft iedere onderzoeker zijn eigen koninkrijkje en soms weet men niet eens wat de buurman doet, waardoor er weinig samenhang is. Ik vind het juist de kracht van de wetenschap in Nederland dat er zoveel samenwerking tussen onderzoekers is.’

Ir. David Lentink (32) van de leerstoelgroep Experimentele zoölogie, publiceerde onlangs in Nature over gierzwaluwen[img]
‘Ik ben gastonderzoeker geweest in Amerika. Daar beginnen onderzoekers na een postdoc een eigen onderzoeksgroep en moeten ze zich binnen vijf jaar bewijzen voor ze een vaste aanstelling krijgen. In Nederland is een UD’er niet verantwoordelijk voor een eigen lab, maar functioneert hij binnen een grotere groep. Hierdoor is er inderdaad een kans dat zijn onderzoek een bepaalde richting wordt opgestuurd, terwijl het Amerikaanse systeem die keuze aan de jonge onderzoeker overlaat. Maar er zijn ook nadelen verbonden aan de Amerikaanse onafhankelijkheid, zoals de administratie en de zware onderwijstaak. Die drukken net zo goed de creativiteit. Onderzoekers pieken misschien vroeger, maar zijn ook sneller uitgeblust.
Ik heb het geluk dat ik ontzettend veel vrijheid krijg van mijn professor. Ik werkte namelijk in mijn vrije tijd aan het onderzoek naar de gierzwaluwen. Mijn promotieonderzoek gaat over iets heel anders: het zwemmen van vissen en vliegen van insecten. Mijn professor heeft mij echter volledig gesteund in dit eigen onderzoek. Ik had het lab tot mijn beschikking en collega’s die mij konden helpen. Ik kreeg zelfs financiële middelen. Binnen een systeem zoals Plasterk voorstelt, lijkt het mij heel lastig om dezelfde steun te krijgen.
Ik denk ook niet dat oudere onderzoekers per definitie minder creatief zijn. De wiskundige Euler heeft tot aan zijn dood ongelofelijk slimme ontdekkingen gedaan. Jonge mensen zitten misschien wel in een minder vast denkpatroon, maar ze hebben ook het nadeel van gebrek aan ervaring. Wetenschap is een ambacht. Het kost tijd om dat te leren. Teveel beginnende onderzoekers onder één professor gaat ten koste van de begeleiding.’

Re:ageer