Wetenschap - 11 mei 1995

Rabbinge verdedigt Wageningse teeltmodellen

Rabbinge verdedigt Wageningse teeltmodellen

De Wageningse teeltonderzoekers staan te ver af van de Nederlandse landbouwpraktijk, kritiseerde vorige maand dr M. Stapper in het WUB. Produktie-ecoloog prof. dr R. Rabbinge vindt dat die kritiek niet voor zijn groep geldt. Wel vindt hij dat de traditionele scheiding tussen universiteit, instituten, proefstations en voorlichting schadelijk is voor het landbouwkundig onderzoek. Maar je moet dan niet de groep aanspreken die juist voorop loopt in het doorbreken van dit kennismodel."


Vorige maand formuleerde agronoom dr M. Stapper, werkzaam als crop modeller in Australie, stevige kritiek op de vakgroep Theoretische produktie-ecologie en de onderzoekers van het agro-biologisch onderzoeksinstituut, AB-DLO. Deze omvangrijke groepen timmeren al jaren internationaal aan de weg met een systeem-analytische benadering ter ondersteuning van teeltvraagstukken. Kern van de kritiek was dat de Wageningse groepen te ver af staan van de Nederlandse praktijk.

De onderzoekers, aldus Stapper, zien de computermodellen te veel als einddoel in plaats van als middel. Rabbinge, initiatiefnemer van de onderzoekschool Produktie-ecologie en voorzitter van de vakgroep Theoretische produktie-ecologie, is het niet eens met deze kritiek. Wij proberen nu juist de studenten elk college er weer in te hameren dat modellen een middel zijn. Want veel te snel zeggen mensen: Ik ga een model bouwen. Maar waarom eigenlijk? Je moet kijken naar de vraagstelling."

Volgens Rabbinge fixeert de kritiek zich teveel op de samenwerking van de produktie-ecologen met boeren, voorlichters en proefstations, terwijl ze nog vier andere groepen bedienen: collega-onderzoekers, beleidmakers, studenten en landbouw- en milieu-organisaties. Deze zijn zeker zo belangrijk, meent de hoogleraar.

Moeten de Wageningse teeltonderzoekers meer samenwerken met deze afnemers van hun onderzoek?

Rabbinge: Er moeten contacten zijn, maar die zijn er ook. Er is ook wel degelijk spin-off van onze modellen. Ze worden gebruikt bij de bestrijding van de fruitteelt, de bloementeelt en in de katoenteelt. Aardbeientelers uit Florida vragen ons om advies. We krijgen uit heel de wereld brieven met verzoeken om samenwerking. We werken samen met nationale en internationale instituten in de Derde Wereld. Ik kan zoveel voorbeelden geven uit de landbouw- en milieu-wereld."

Prioriteitennota

Voor het model Epipre, waarmee telers kunnen beslissen wanneer ze moeten spuiten, hebben we samengewerkt met boeren. Dat was heel lastig vanwege de competentiestrijd. De landbouwvoorlichting zei: Dat is geen taak voor de universiteit. Jullie moeten helemaal geen contact hebben met telers. Omdat we toch dat contact bleven houden, konden we het systeem ontwikkelen. Het model wordt nu niet meer gebruikt, omdat de proefstations het niet bijhielden."

Kijk, ik probeer nu juist iedere keer weer te doorbreken dat je fundamenteel, strategisch en toegepast onderzoek in vakjes kunt indelen. Die stringente scheiding is heel schadelijk voor het landbouwkundig onderzoek. Het leidt tot een competentie-strijd tussen de instituten in plaats van inhoudelijke discussies. De gelaagdheid is te star. Minister Van Aartsen geeft in zijn Prioriteitennota ook aan dat hij die wil doorbreken. De instituten en universiteiten moeten volgens hem met boeren kunnen samenwerken."

Dan bent u het toch eens met Stapper, die vindt dat de vakgroep Theoretische produktie-ecologie en de onderzoekers van het AB-DLO te weinig samenwerken met proefstations en voorlichting?

Nee. Waar het om gaat is dat hij de groep aanspreekt die nu juist probeert die gelaagdheid te doorbreken en daar ook in slaagt. Wij doen fundamenteel onderzoek dat tegelijkertijd praktijkgericht is. Een medewerker van het Proefstation voor de fruitteelt heeft bijvoorbeeld een promotie-onderzoek gedaan over: hoe beinvloedt het licht de produktie en kwaliteit van de appel? Een fundamenteel wetenschappelijke vraag. Tegelijkertijd was het onderzoek strategisch, omdat het bekeek welke plantsystemen de teler het best kon gebruiken. En het was praktisch, omdat het aangaf op welke wijze telers het best kunnen snoeien."

Komen dit soort aanbevelingen niet in de la te liggen als je het onderzoek niet in samenspraak met groepen telers of voorlichters doet?

Mijn filosofie is dat er drie typen publikaties zijn: in wetenschappelijke bladen, in bladen als Natuur en techniek en in land- en tuinbouwbladen. We hebben ook in die laatste twee categorieen veel gepubliceerd."

Maar de vraag hoe licht de kwaliteit van appels beinvloedt, komt van de onderzoekers. Uit het proefschrift blijkt niet dat gebruikers die vraag konden beinvloeden, of konden meedenken over de experimenten en de vertaling in computermodellen.

Er is zeker contact geweest met telers. Of die van doorslaggevende betekenis is geweest, kun je navragen. Maar zoals ik net al zei: je moet niet doen alsof telers het allemaal weten. Integendeel, boeren komen ons vragen wat ze moeten doen. Waarna wij natuurlijk niet altijd antwoord kunnen geven. We ontlenen er wel onze onderzoeksvragen aan."

Wat moet er gebeuren om de scheiding tussen voorlichting, proefstations en onderzoeksinstituten diffuser te maken?

Drie dingen. Allereerst moet er, in plaats van financiering per instituut, meer projectfinanciering komen, waarbij degenen die de vruchten plukken het onderzoek mede sturen. Daarnaast moeten onderzoekers leren in systemen te denken, leren om minder monodisciplinair te denken. En ze moeten wennen aan werken in teamverband, ook in teams door de kenniscentra heen."

Moeten er meer onderzoekers in Nederland komen zoals Pieter Vereijken van het AB-DLO? Hij probeert samen met studiegroepen nieuwe technieken uit en bediscussieert de bedrijfsresultaten maandelijks met de telers.

Nee hoor, dat lijkt me niet nodig. Want dat gebeurt ook nu al en je kunt niet in de empirie blijven steken. Belangrijk is dat je hypotheses wetenschappelijk fundeert. Daarom is het ook zo belangrijk dat Vereijken in het onderzoeksinstituut AB-DLO is ingebed. Je moet een combinatie hebben van wetenschappelijk onderzoek en praktisch werken met studieclubs. Dat laatste gebeurt niet te weinig. De onderzoekers ing J. Ellen en dr ing K. Scholte van Agronomie hebben proeven gedaan voor studieclubs van graan- en aardappeltelers. Wij hebben met studieclubs gewerkt voor het ontwikkelen van Epipre. Nu werken we met studie-clubs van tuinders."

Fenomenologisch

Maar natuurlijk, het kan altijd beter. De grote gerichtheid op subcellulair en biochemisch onderzoek zie ik ook als een bedreiging van het landbouwkundig onderzoek. De andere bedreiging is dan dat we het weer op de klassieke wijze gaan doen, dus een beetje fenomenologisch en anekdotisch, waarbij je gemakkelijk blijft steken op een beredeneerde geloofsbelijdenis."

In werken met studieclubs zit toch een toets, namelijk de tevredenheid over de kwaliteit van de produktie?

Dat mag niet de enige graadmeter zijn. De graadmeter is vooral hoe dat komt en waardoor het komt. Je wilt tot generaliseerbare uitspraken komen. Dat is nu juist het fundament van iedere wetenschapper; dat je begrijpt waarom dingen zijn zoals ze zijn, zodat je ze kunt beinvloeden en kunt realiseren op andere plekken. Anders moet je op iedere plaats en ieder jaar opnieuw het wiel uitvinden."

Landbouw is toch telkens verschillend. Misschien moeten teeltonderzoekers het ideaal van universele uitspraken laten vallen.

Dat is zo'n ongelooflijk domme opmerking! Ik erger me daaraan. Waar het nu juist om gaat is om te verklaren, om proberen te begrijpen hoe dingen in elkaar zitten, zodat je ze kunt beinvloeden. Daarom hebben we nu produktie-ecologisch werk, in plaats van de traditionele dosis-effect rapportage, waarbij je stikstof geeft en naar de opbrengst kijkt. We stellen de vraag: Hoe zit dat dan precies, onder welke omstandigheden is de stikstofopname hoger of lager?. Dat die benadering succes heeft, blijkt uit de hogere produktie en milieu-efficientie."

Zit er enige grond van waarheid in de stelling dat er minder wetenschappelijk debat is dan vroeger?

Absoluut faliekant onjuist. Er is meer wetenschappelijk debat dan vroeger, omdat we nu met de hele vakgroep discussieren wat we doen, terwijl dit voorheen door de hoogleraar werd besloten. In het kader van de onderzoekschool Produktie-ecologie hebben we met promovendi continu debatten, en er zijn vanuit onze vakgroep groepjes opgezet om tot samenwerking te komen. Die groepjes worden door de onderzoekers als een verademing ervaren. Zelfkritiek is precies de inzet van onze dialoog."

Re:ageer