Organisatie - 30 november 2006

Rabbinge: ‘We zijn geen zeepfabriek’

De man met de meeste nevenfuncties, de grootste netwerker van Wageningen. Hoe je prof. Rudy Rabbinge ook kenschetst, zeker is dat de universiteitshoogleraar vaak over de schutting kijkt. En naar zijn mening gaat het zo slecht nog niet met Wageningen UR. ‘Ik zie op andere plaatsen dat het veel erger kan.’

Foto: Bart de Gouw
Rudy Rabbinge is volgens de Volkskrant de machtigste man van Wageningen UR. De universiteitshoogleraar staat op nummer 116 in een top 200 van machtigen achter de schermen. De productie-ecoloog combineert een veelheid aan functies. Hij is onder andere voorzitter van de afdeling Aard- en levenswetenschappen van NWO, senator voor de PvdA en toezichthouder bij RIVM. Hij vervult nevenfuncties bij de VN, de Vlielandziekenhuizen, het Koninklijk Instituut voor de Tropen en nog enkele organisaties.
Sinds twee weken heeft hij er een nieuwe functie bij. Rabbinge is benoemd tot voorzitter van de wetenschappelijke raad van de Consultative Group on International Agricultural Research (CGIAR), een koepel van vijftien internationale landbouwkundige onderzoeksinstituten waaronder het internationale rijstinstituut IRRI en het maïsinstituut CIMMYT.
Vorig jaar liep Rabbinge een hoge internationale benoeming net mis. Tegen de zin van Westerse regeringen in werd zijn Iraanse tegenstrever benoemd tot voorzitter van de FAO-raad. Zijn nieuwe functie is volgens Rabbinge echter minstens zo invloedrijk. ‘Ik werd van verschillende kanten gefeliciteerd met mijn benoeming bij de CGIAR. Dit is veel beter dan de FAO, zeiden ze tegen me. Dat vind ik ook. De FAO is organisatorisch een grote rommel. Dat is treurig, maar er is niet veel kans dat het snel verandert. Ik probeer nu zoveel mogelijk direct zaken met de VN of de Wereldbank te doen.’

De CGIAR is niet bescheiden. De instituten claimen dat er zonder hun onderzoek vijf procent minder voedsel zou zijn op de wereld. Hun werk zou miljoenen mensen van de hongerdood hebben gered en grote oppervlakten natuur hebben gespaard. Dat zijn stevige beweringen. Gelooft u ze?
‘Jazeker. Het lijkt me nog aan de bescheiden kant. De CGIAR heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de groene revolutie. De nieuwe rijstrassen die het IRRI heeft ontwikkeld hebben bijvoorbeeld gezorgd voor spectaculaire groei van de oogsten in een tijd dat miljoenen mensen in Azië honger leden. De bereidheid om de rassen te gebruiken was groot, en de begeleiding vanuit de CGIAR was erg goed.
Ook daarna hebben ze veel bereikt. Het begon in de jaren zestig met het ontwikkelen van nieuwe rassen, later is het onderzoek in fasen steeds verder verbreed. In de jaren zeventig besefte men dat technologie niet alles kon oplossen en kwamen er sociale vraagstukken bij. In de jaren tachtig milieu en natuur. In de jaren negentig kwam het besef dat je niet alleen naar de boerderij moest kijken, maar ook regionaal.
Nee, ik kijk echt niet op van zulke claims. Wageningen zou ook veel kunnen claimen. Het zou niet overdreven zijn om een groot deel van de Nederlandse agrarische export toe te schrijven aan Wageningse onderzoek. De Nederlandse landbouw verkoopt verpakte kennis die voornamelijk hier is ontwikkeld.’

Waar zou het onderzoek van de CGIAR zich de komende jaren op moeten richten?
‘De voornaamste vraag voor de komende jaren is hoe we kunnen zorgen voor meer private investeringen in de Afrikaanse landbouw. In het westen is de verhouding tussen private financiering en overheidsfinanciering in de landbouw ongeveer fifty-fifty. In Afrika is nog geen anderhalf procent van de investeringen privaat. Het onderzoek moet manieren vinden om dat te veranderen
Daarbij moet je oppassen voor simpele oplossingen, voor de fallacy of misplaced concreteness. Alsof het voldoende is als onderzoekers de technische oplossingen aandragen en de rest aan landen zelf overlaten. Je zult ook goede kennis moeten hebben van de complexe situatie in Afrika waar vrouwen in de landbouw dominant zijn, landbouw plaatsvindt op arme bodems en er veel gebruikt gemaakt wordt van multicropping. Dat vergt een specifieke aanpak.
Er zijn mensen die zeggen dat alle kennis er al is en dat we alleen maar de juiste gegevens uit de kast hoeven te halen. Ik geloof daar niet in. CGIAR-instituten zijn geen proefstations, maar moeten wel goed wortelen in de praktijk. En we moeten zorgen dat nationale systemen zo krachtig worden dat ze nieuwe kennis ook kunnen gebruiken.’

U komt niet alleen bij het CGIAR, maar kijkt ook regelmatig in de keuken bij andere onderzoeksinstellingen. Hoe beoordeelt u vanuit die ervaring de klachten over het management en de toegenomen bureaucratie in Wageningen?
‘De verzakelijking heeft er in de hele samenleving voor gezorgd dat geld leidend is geworden, en niet volgend. Daarom komen er overal steeds meer managers. In Wageningen gaat het in verhouding nog vrij goed. Ook hier zijn te veel managers, maar ik zie op andere plaatsen dat het veel erger kan.
Dat wil niet zeggen dat het niet beter kan. Wij werken hier met gemotiveerde mensen die niet alleen komen voor het salaris, maar omdat ze iets willen bijdragen aan de wereld. Bij zulke gedreven mensen past geen regelneverij. De mensen die het echte werk doen zouden meer verantwoordelijkheden moeten krijgen. Wij zijn geen zeepfabriek.
Bij die verantwoordelijkheden hoort wel dat je op een heldere manier afrekent op basis van de resultaten. Net zoals we bij de onderzoeksinstituten lang hebben gedaan. Als je te weinig presteert, heeft dat consequenties. De raad van bestuur probeert dat trouwens ook. Vooral de nieuwe rector verdient daarvoor volgens mij complimenten.
Ik vind ook dat onderzoekers zelf te veel met geld bezig zijn; ze zeuren er te veel over. Voor een goed idee is altijd geld te vinden.’

Uit het tevredenheidsonderzoek bleek een paar weken geleden dat veel medewerkers een stuk sceptischer zijn over Wageningen UR. Van buiten ziet de samenwerking er misschien goed uit, maar wie binnen kijkt merkt dat er veel aan schort.
‘Natuurlijk weten wij binnen Wageningen dat het nog lang niet koek en ei is met die samenwerking. Er is nog steeds te veel gezeur over rekeningen en mensen weten elkaar lang niet altijd goed te vinden.
Maar ik kan erg boos worden als mensen zeggen dat het alleen maar schone schijn is. Dat is echt nonsens. Er is veel gebeurd. Zelfs bij de meest fundamentele onderzoeksgroepen wordt tegenwoordig aan de toepassing van kennis gedacht. Wie kan er wat met ons onderzoek? Daarmee is hun onderzoek niet van minder waarde, integendeel.
Wij doen het veel beter dan de TU’s en we liggen mijlen voor op de algemene universiteiten. Er is tien jaar geleden een zeer verstandige keuze gemaakt. Wat mij betreft moeten we nog verder gaan en de universiteit en de instituten volledige integreren. Bij mijn oude leerstoelgroep Theoretische productie-ecologie hebben we dat twintig jaar geleden al in praktijk gebracht en dat werkte uitstekend.
De instituten zijn de afgelopen jaren de verkeerde weg ingeslagen. Om het hoofd financieel boven water te houden hebben ze zich opgesteld als consultancybureaus. Elk klein klusje werd uitgevoerd, zolang het maar geld opleverde. Ik ben blij dat dat weer een beetje bijdraait nu er weer meer geld komt voor basisfinanciering. Ik vind ook dat het ministerie van LNV daar ruimhartig in moet zijn. De afgelopen eeuw heeft laten zien dat investeren in de kennisinfrastructuur werkt. Uiteindelijk is dat in het belang van Nederland.’

Re:ageer