Organisatie - 29 maart 2007

Protest tegen vrijhandel steeds luider

Onder regeringsleiders, economen en multinationals heerst het idee dat vrije wereldhandel in ieders voordeel is. Maar het protest tegen vrijhandel klinkt steeds luider. Boerenbewegingen in het zuiden eisen het recht om zelf voedsel te verbouwen, zelf te bepalen aan wie ze het verkopen en wat ze eten. Ze noemen dat voedselsoevereiniteit. Wageningen International organiseerde vorige week een seminar over dit nieuwe begrip.

38_achtergrond0.jpg
‘Wij, meer dan vijfhonderd vertegenwoordigers uit meer dan tachtig landen, van organisaties van boeren, kleine vissers, inheemse volkeren, landlozen, landarbeiders, migranten, veehouders, bosgebruikers, vrouwen, jongeren, consumenten en milieubewegingen, zijn bijeen gekomen in het dorp Nyéléni in Selingue, Mali, om een wereldwijde beweging te versterken voor voedselsoevereiniteit. (...) Wij kunnen en willen alle mensen van de wereld van voedsel voorzien. (...) Maar ons erfgoed en onze capaciteit om gezond, goed en overvloedig voedsel te produceren worden bedreigd en ondermijnd door neoliberalisme en mondiaal kapitalisme.’
De verklaring van Nyéléni die in februari dit jaar werd opgesteld in Mali lijkt een kleine revolutie. De tekst werd bedacht door Afrikanen, maar ook door Europeanen, zoals Hanny van Beek–van Geel, een Nederlandse boerin die werkt bij de Nederlandse Akkerbouw Vakbond en die er in februari bij was in Mali. Zoals zij het zegt: ‘Boeren willen niet dat hun voedsel geëxporteerd wordt. Laat ons voedsel produceren voor onze eigen markt.’
Hanny van Beek was dinsdag 20 maart in Wageningen toen ruim honderddertig mensen bijeen kwamen om het relatief nieuwe begrip ‘voedselsoevereiniteit’ te ontrafelen. Wageningen International organiseerde een seminar voor wetenschappers, beleidsmakers en ngo’s – ook uit ontwikkelingslanden – over de vraag of voedselsoevereiniteit de honger kan bestrijden, of juist een bedreiging vormt voor voedselzekerheid.

Recht op voedsel
In de jaren negentig dook het begrip voedselsoevereiniteit op in de anti-globaliseringsbeweging als reactie op de ongelijke wereldhandel. Maar de laatste jaren tonen steeds meer ontwikkelingsorganisaties en boerenorganisaties - en ook de wereldvoedselorganisatie FAO - interesse in het begrip. Ook enkele landen, zoals Bolivia, omarmen het idee. In sommige gebieden is zelfvoorziening op landelijk niveau niet haalbaar omdat het klimaat of de bodemvruchtbaarheid dat niet toelaten, zoals in West-Afrika. Toch streven landen in West-Afrika naar voedselsoevereiniteit, maar dan samen, binnen de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS).
Ontdaan van activisme betekent voedselsoevereiniteit het recht van individuen, gemeenschappen en landen om zelf hun eigen landbouw- en voedselbeleid te bepalen, zonder bemoeienis van internationale financiële instellingen als het IMF en zonder beperkt te worden door de wereldhandelsorganisatie WTO. Die internationale instellingen hebben hun legitimiteit verloren, was een conclusie van een van de werkgroepen tijdens het seminar. En die opvatting kan de opkomst verklaren van benaderingen die de nadruk leggen op de rechten van mensen.
Eerder was er al het juridische begrip ‘recht op voedsel’. Voedselsoevereiniteit gaat ook over rechten van mensen, maar is meer een politieke term. Zoals Gnide Valerie Traore van de Keniase mensenrechten- en ontwikkelingsorganisatie ACORD het tijdens het seminar in Wageningen verwoordde: ‘Voedselsoevereiniteit is een combinatie van rechten. Het recht op voedsel, het recht op middelen van bestaan, het recht op land en water en andere natuurlijke hulpbronnen, het recht op werk, het recht om je eigen manier van boeren te kiezen. En het is tegen internationale handelsregimes die mensen en landen hun vrijheid ontnemen en beletten dat ze hun eigen weg kiezen.’
Maar juist de politieke bijklank van voedselsoevereiniteit baart Marcel Vernooij van het ministerie van LNV zorgen. Hij waarschuwde tijdens het seminar voor overheden van ontwikkelingslanden die het begrip kunnen misbruiken om zich af te schermen tegen internationale bemoeienis. Denk bijvoorbeeld aan Noord-Korea. Vernooij vindt dat de internationale gemeenschap moet kunnen ingrijpen als overheden hun bevolking niet voeden.

Dumping
Het belangrijkste pijnpunt voor de beweging voor voedselsoevereiniteit is dumping. Kleine boeren in ontwikkelingslanden hebben nu al decennia lang last van graan, rijst of diepvrieskippen uit rijke westerse landen die beneden de lokale kostprijs verkocht worden op hun markten. Lokaal geproduceerd voedsel is duurder dan die goedkope import, waardoor de lokale boeren hun waar niet meer kwijt kunnen. Daarmee verliezen zij niet alleen hun inkomsten, maar gaat ook hun traditionele kennis over het verbouwen en verwerken van voedsel verloren.
Op zich streeft ook de wereldhandelsorganisatie WTO naar het uitbannen van dumping, onder andere door het – op de langere termijn – afschaffen van exportsubsidies. Maar volgens velen is dat alleen een cosmetische ingreep. Want rijke landen blijven in hun landbouwbeleid inkomenssteun geven aan hun boeren, waardoor de overproductie in het westen goedkoper blijft dan de lokale productie in arme landen. Die arme landen zouden de vrijheid moeten hebben om handelsbarrières op te werpen tegen te goedkope invoer, bijvoorbeeld door importtarieven. Dat is vloeken in de kerk voor de wereldhandelsorganisatie WTO, die juist alle handelsbarrières wil slechten.
Guus Geurts van het Solidariteitsfonds XminY beschreef tijdens het seminar een onrechtvaardige situatie die volgens hem met voedselsoevereiniteit kan worden opgelost. Sinds in 1994 het NAFTA-vrijhandelsakkoord (North Atlantic Free Trade Agreement) gesloten werd tussen de Verenigde Staten en Canada en landen in Latijns-Amerika konden gesubsidieerde Amerikaanse boeren hun goedkope maïs afzetten in Mexico. Die maïs was goedkoper dan de maïs die Mexicaanse maïsboeren produceerden. Drie miljoen Mexicaanse maïsboeren verloren daardoor hun inkomsten en trokken naar de stad. Sindsdien eten Mexicanen goedkope Amerikaanse maïs. Maar nu de Amerikaanse maïs lucratiever verkocht kan worden als grondstof voor biodiesel, stijgt de prijs. Waardoor er honger is in Mexico.
Geurts: ‘De koopkracht van de Amerikaanse consument weegt in de handel zwaarder dan de honger in Mexico.’ Een oplossing heeft Geurts ook. In plaats van landen te dwingen hun protectie te verlagen, zoals de WTO wil, moeten landen juist het recht krijgen om hun markten te beschermen tegen goedkope invoer door importtarieven te verhogen. Volgens hem zijn landen beter af als ze zelfvoorzienend zijn in hun voedselproductie.

Honger en overvloed
Maar niet iedereen ziet het beperken van vrije handel als het antwoord op oneerlijke handel. Ontwikkelingseconoom drs. Thom Achterbosch van het LEI had op het seminar de schone taak om de voordelen van de vrije markt te verdedigen. Het belangrijkste punt dat hij naar voren bracht is dat consumenten – ook de arme consumenten in ontwikkelingslanden - vermoedelijk niet gebaat zijn bij minder handel en meer bescherming van markten. Het idee van vrijhandel is dat ons voedsel daar geproduceerd wordt waar dat het goedkoopste kan, en consumenten profiteren van de lage prijs dat voedsel daardoor heeft. Bovendien zet Achterbosch vraagtekens bij de nadruk op kleinschalige en traditionele landbouw van de beweging voor voedselsoevereiniteit. Die kleinschalige landbouw is volgens hem lang niet altijd in staat om voldoende voedsel te produceren.
Juist die kleinschalige en lokale landbouw wekt het enthousiasme op van socioloog prof. Guido Ruivenkamp, hoogleraar Biotechnologie en genomics in ontwikkelingslanden bij de VU in Amsterdam en tevens onderzoeker in Wageningen. Volgens hem zien economen voedsel ten onrechte als een anoniem product dat verwisselbaar is voor een ander anoniem product. Voedsel dat geproduceerd wordt door lokale boeren heeft echter meer betekenissen dan alleen maar een geldwaarde. Het wordt op de lokale markt verkocht en is onderdeel van een specifieke cultuur. Het voedsel, en de manier waarop het klaargemaakt wordt, is onderdeel van het sociale leven, zegt Ruivenkamp. Voedselsoevereiniteit moet volgens hem juist gaan over het behoud van die lokale voedselproductie, en handel heeft daar weinig mee te maken.
‘Wat een arrogantie van de voorstanders van handel, die nog steeds geloven dat handel hongerigen en overvloed bij elkaar kan brengen. Honger en overvloed bestaan al honderden jaren naast elkaar, maar er zijn nog steeds miljoenen mensen zonder eten. Die mensen hebben geen koopkracht, en dus bestaan ze niet voor de markt. Laat de markt de markt en stel de mensen die geen baat hebben bij de markt in staat om voor hun eigen voedsel te zorgen, op hun eigen manier.’

Re:ageer