Organisatie - 7 december 2006

Professor op de bres voor vruchtensap

‘Steunt Nederlands fruitteelt en nijverheid, bevordert uw gezondheid en drinkt Zoete Most’. Met deze kreten probeert professor A.M. Sprenger in de crisisjaren iedereen aan het vruchtensap te krijgen. Zijn ondernemende aard leidt in 1936 tot de oprichting van een zelfstandig instituut dat bijna een kwart eeuw zijn naam zou dragen.

Prof. A.M. Sprenger (1881-1958) bracht met veel energie vruchtensap aan de man.
Prof. A.M. Sprenger (1881-1958) bracht met veel energie vruchtensap aan de man.

Foto: Historisch archief FB

Sprenger is autoritair, maar ook geliefd onder studenten en collega’s. Hij wordt wel ‘de rode professor’ genoemd vanwege zijn grote betrokkenheid bij de Nederlandse tuinders en fruittelers. Omstreeks 1930 verkeert de tuinbouw in een diepe crisis. Doordat de buurlanden hun markt afschermen, blijven telers hier zitten met grote hoeveelheden onverkoopbaar fruit. Sprenger bedenkt een plan om dit te verwerken tot ‘Zoete Most’, en zo ook extra werkgelegenheid te creëren.
Zijn plan krijgt steun van de Heidemaatschappij en het Crisisfonds. Dit is echter niet genoeg om een kostendekkende productielijn op te zetten, maar Sprenger verzint iets om ook het ontbrekende geld bij elkaar te krijgen. Hij bestookt alle lokale horecabedrijven met reclame en wijst huisartsen op de gunstige gezondheidseffecten van Zoete Most. Zo herinnert de Wageningse amateur-historicus Ad Rietveld zich de fruitdranken die hij in zijn jeugd ‘tot vervelens toe te drinken kreeg’.
In technisch opzicht zitten er nog de nodige haken en ogen aan de verwerking van fruit tot sap. Het productieproces neemt enkele maanden in beslag en omdat er nog niet wordt gewerkt met conserveringsmiddelen, moet het bottelen steriel gebeuren. Al spoedig echter draait de proeffabriek van Sprenger aan de Haagsteeg op volle toeren. In 1933 wordt zelfs een Centrale Verkoopafdeling voor Zoete Most en Vruchtenwijnen opgericht om de distributie en afzet te regelen. Er wordt driftig gestrooid met stickers en folders om de ‘Zoete Most’ aan de man te brengen. In 1935 verschijnt zelfs een oproep van Sprenger in de landelijke dagbladen om met Pinksteren twee glazen Zoete Most te drinken.
De productie breidt zich uit: in 1934 zijn er naast het Laboratorium voor Tuinbouwplantenteelt al zes fabrieken die vruchten verwerken. Een jaar later wordt er landelijk 1200 ton fruit verwerkt: appels, peren, kersen, aardbeien, rabarber en allerlei soorten bessen. In het land spreekt men zelfs van de ‘Zoete Most-beweging’.
De Landbouwhogeschool, werkgever van Sprenger, zet intussen vraagtekens bij de sapproductie. Zo vraagt rector Visser zich al in 1931 af of het wellicht niet verstandiger was ‘de energie van de hoogleraar alleen voor zijn wetenschappelijk werk te behouden’. De oprichting van een zelfstandig instituut voor de ‘nevenactiviteiten’ van Sprenger is onontkoombaar. In 1936 wordt het Instituut voor Onderzoek op het gebied van Fruit en Groente opgericht, dat in 1948 Instituut voor Bewaring en Verwerking van Tuinbouwproducten (IBVT) gaat heten en in 1966 uit eerbetoon wordt omgedoopt tot Sprenger Instituut. In 1990 gaat het uiteindelijk op in het Instituut Agrotechnologisch Onderzoek (ATO).
De Tweede Wereldoorlog betekent het eind van de Zoete Most-beweging, maar de sapwetenschap blijft. Zo ontwikkelt het Sprenger Instituut samen met levensmiddelentechnologen van de Wageningse universiteit begin jaren zeventig een revolutionair vervloeiingsprocédé voor vruchtenpulp. Dankzij deze enzymtechniek laat zelfs het meeste hardnekkige fruit het vruchtwater lopen, en staan er nu het hele jaar door allerlei sappen in de winkel.

Re:ageer