Wetenschap - 1 januari 1970

Prof. Visser: ‘Sociologen worden te laat bij projecten betrokken’

Prof. Visser: ‘Sociologen worden te laat bij projecten betrokken’

Prof. Visser: ‘Sociologen worden te laat bij projecten betrokken’


Wie echte ontwikkeling wil moet investeren in gamma-bètasamenwerking

In Wageningen Universiteit is al vaak geprobeerd de samenwerking tussen
bèta’s en gamma’s te vergroten. Ook nu nog gebeurt dat te weinig, stelt
prof. Leontine Visser, de nieuwe hoogleraar ontwikkelingssociologie, in
haar inaugurele rede die ze 2 oktober uitsprak. Wie echt duurzame
oplossingen van ontwikkelingsvraagstukken wil, komt niet uit onder een
serieuze gamma–bètasamenwerking. Die samenwerking moet dan ook
gelijkwaardiger worden. Dus heeft Visser het over gamma-bèta- en niet bèta-
gammasamenwerking.

Als sociaal wetenschappers betrokken worden in onderzoek of
ontwikkelingsprojecten, dan is dat vaak pas achteraf. De gang van zaken in
het project ligt dan al vast en de sociologen of antropologen mogen er als
het ware nog een toefje slagroom op doen. Een voorbeeld is een project in
de kustzone van Zuidwest-Sulawesi, Indonesië. In dit project werd Visser
pas in een late fase van het project gevraagd haar antropologische
inzichten in te brengen. Er was al een computermodel gemaakt dat lokale
ambtenaren moest helpen bij het beheer van visserij en kustzone. Dat model
ging uit van een ‘virtuele’ visser, te weten een man die zijn vissersboot
ziet als een bedrijf. In de praktijk beslissen echter de vrouwen en andere
leden van het huishouden en het dorp mee over de gang van zaken. Bovendien
hebben niet alle vissers evenveel te zeggen, want sommigen nemen een betere
positie in het bestaande systeem in dan anderen. Naast fysische en
technologische mogelijkheden wordt de visserij bovendien bepaald door
sociale en rituele dorpsverplichtingen die niet te voorspellen zijn. Al met
al bleek het al gemaakte technische model zinloos te zijn. Waren al in een
eerder stadium sociologen betrokken bij het project, dan had de mislukking
voorkomen kunnen worden, stelt Visser.

Verloren decennium
Zonder samenwerking met gamma’s, lopen bèta’s het gevaar aan het werk te
gaan zonder te weten welke gevolgen dat heeft, zo is grofweg de strekking
van de inaugurele rede van Visser. In de jaren tachtig mislukten daarom
veel ontwikkelingsprojecten. Visser: ,,De jaren tachtig zijn een verloren
decennium voor de ontwikkelingssamenwerking. Veel projecten zijn mislukt
omdat problemen te beperkt bekeken werden.’’ Nadien is dat ook erkend en is
het aantal sociologen bij bijvoorbeeld ministeries toegenomen.
Toch is er ook nu nog steeds te weinig aandacht voor gamma-
bètasamenwerking, vindt Visser. Volgens haar is het een kwestie van
consequent zijn. Wil je werkelijk een bijdrage leveren aan ontwikkeling,
dan moet je ook bereid zijn te investeren in een brede aanpak waarbij
verschillende disciplines een gelijkwaardige partij meespelen. ,,We praten
veel over duurzaamheid, maar als dat betekent dat problemen breder
aangepakt moeten worden moet er ook meer geld in gestoken worden. De
consequenties ervan moeten geaccepteerd worden, anders is duurzaamheid een
loos begrip.’’ Een beperkte monodisciplinaire aanpak leidt volgens Visser
ook vaak tot kortetermijnoplossingen. Ze haalt opnieuw een voorbeeld uit
Indonesië aan, waar ze twintig jaar onderzoekservaring heeft. In een
project werd een brug aangelegd die een vallei ontsloot waardoor verkoop
van hout uit de bosbouw mogelijk werd. De econoom in het project besloot
dat het een brede brug moest worden waardoor bos op korte termijn
commercieel geëxploiteerd kon worden. Gevolg was dat het bos te snel en
niet duurzaam gekapt werd, en dat de kleinere bosgebruikers de boot misten.
Een smalle brug, die niet toegankelijk is voor grote trucks, had dat kunnen
voorkomen. En dan had het bos ook op langere termijn nog iets opgeleverd.

Interdisciplinair
In Wageningen is de gelijkwaardigheid tussen gamma en bèta niet
vanzelfsprekend, vindt Visser. Wageningen wordt gepresenteerd als een
technische universiteit, maar de sociale wetenschappen hebben hier wel
degelijk een plaats. Daarom spreekt Visser ook over gamma–bèta- en niet van
bèta–gammasamenwerking zoals in Wageningen gebruikelijk is. Ook in het
verleden, voor de komst van Visser vorig jaar in Wageningen, werd al veel
gepraat over die samenwerking tussen verschillende disciplines. Het komt
lastig van de grond, omdat er een aantal structurele problemen zijn. Zo is
het begeleiden van studenten of promovendi die hun studie baseren op
meerdere disciplines duurder dan monodisciplinaire begeleiding. Want de ene
collega moet de andere bijpraten over het eigen vakgebied. Visser: ,,Ik wil
dan begeleider en student enig inzicht geven in de antropologie. Je bent
daar zo’n anderhalf keer langer mee bezig dan met een pure gammastudent.’’
Bij de leerstoelgroep van Visser doen veel internationale studenten van de
masteropleiding Management of Agricultural Knowledge Systems hun
afstudeeronderzoek en scriptie. Die combineren vaak disciplines als bosbouw
of visserij met sociologie en economie. Volgens Visser besteden haar
medewerkers daardoor meer tijd aan onderwijs dan de veertig procent die ze
daar geacht worden aan te besteden en komen dus minder toe aan onderzoek.
Leerstoelgroepen die veel studenten hebben die disciplines combineren,
zouden meer financiële ondersteuning per student moeten krijgen, oppert
Visser. Onderzoekers die zich buiten het eigen vakgebied wagen komen nog
andere problemen tegen. Zo zijn er weinig wetenschappelijke tijdschriften
die interdisciplinaire publicaties waarderen. Maar ook de financiers werken
niet mee. De NWO heeft bijvoorbeeld geen apart potje voor interdisciplinair
werk. Onderzoeksschool Ceres is een van de weinige financiers die wel heil
ziet in samenwerking tussen disciplines, maar die heeft volgens Visser te
weinig geld te verdelen.

Transdisciplinariteit

Visser lanceert een nieuwe term voor de samenwerking tussen verschillende
disciplines: transdisciplinariteit. De term interdisciplinariteit
suggereert volgens haar te veel gelijkheid tussen de disciplines, en dat
vindt ze onjuist omdat bèta’s veruit in de meerderheid zijn in Wageningen.
Een ander belangrijk verschil met interdisciplinariteit is dat bij
transdisciplinariteit ook de terugkoppeling naar het eigen vakgebied
belangrijk blijft. Wordt een probleem samen met onderzoekers uit andere
vakgebieden aangepakt, dan moet daarna onder vakgenoten weer bekeken worden
wat dat voor de eigen discipline betekent. Bovendien heeft Visser als ze
het over transdisciplinariteit heeft oog voor wat ze non-verbindingen
noemt. Een geoloog kijkt bijvoorbeeld naar sedimentatie in de zee op een
geologische tijdschaal van honderden jaren. Een socioloog kan daar niks
mee, maar ziet wel dat een visser minder vangt door de afzet van zand in
zee. Visser: ,,De geoloog en de socioloog moeten dan erkennen dat ze
weliswaar met elkaars tijdschalen niet overweg kunnen, maar wel met elkaar
de gevolgen voor de bevolking bespreken. Het is belangrijk voor de praktijk
om disciplinaire verschillen te overbruggen.’’

Joris Tielens

Fotobijschrift:
Ruraal ontwikkelingssocioloog prof. Leontine Visser: ,,We praten veel over
duurzaamheid, maar als dat betekent dat problemen breder aangepakt moeten
worden moet er ook meer geld in gestoken worden’’ | Foto Guy Ackermans

Re:ageer