Wetenschap - 1 januari 1970

Prof. Jan Douwe van der Ploeg: ,,Angsthazerij mag de agenda van een

Prof. Jan Douwe van der Ploeg: ,,Angsthazerij mag de agenda van een

Prof. Jan Douwe van der Ploeg: ,,Angsthazerij mag de agenda van een

universiteit niet bepalen’’

‘We moeten gezamenlijk besluiten ons hier geen moer van aan te trekken’

Volgens bestuursvoorzitter dr Aalt Dijkhuizen mogen medewerkers van
Wageningen UR zich alleen mengen in het maatschappelijk debat als ze dat
met kennis van zaken doen. Die stelling is een belediging van de
medewerkers en schadelijk voor de organisatie, reageert prof. Jan Douwe van
der Ploeg, hoogleraar rurale sociologie, die zegt een breed gevoelde
verontwaardiging te vertolken. Rector Speelman moet ingrijpen om
academische waarden aan de universiteit te verdedigen, vindt Van der Ploeg.

,,Als er niet al een hele geschiedenis van betutteling was geweest, dan
hadden we erom kunnen glimlachen,’’ zegt Van der Ploeg. Hij doelt op de
manier waarop Wageningen UR om ging met de MKZ-crisis, waarin de raad van
bestuur deskundigen aanwees die in de media iets mochten zeggen over de
crisis en de andere medewerkers vroeg hun mond te houden. Van der Ploeg
ziet in de nieuwe uitspraken van Dijkhuizen en prof. George Beers een
belediging van de medewerkers van Wageningen UR. ,,Want klaarblijkelijk
vinden zij dat er mensen zijn die geen kennis van zaken hebben. Ik denk dat
iedereen in een open academische instelling zelf de verantwoordelijkheid
kan nemen om al dan niet in het openbaar uitspraken te doen. We mogen het
maatschappelijk debat niet op een laag pitje laten zetten door
Dijkhuizen.’’

Mond snoeren
Van der Ploeg vindt de stellingname van Dijkhuizen benauwend en slecht voor
de universiteit. Controversiële meningen moeten geuit kunnen worden, ‘want
wat vandaag controversieel is, wordt over tien jaar de gevestigde mening’,
zegt Van der Ploeg. Hij verwijzend hierbij naar de verbreding van de
landbouw, een idee waar hij tien jaar geleden om werd uitgelachen en dat nu
de agenda’s in onderzoek en beleid bepaald. ,,Vernieuwing begint altijd
marginaal en komt juist voort uit de uitwisseling van ideeën De wetenschap
kan het niet hebben van een enkel idee, maar van de uitwisseling tussen
ideeën’’ Het idee dat er maar een vorm van wetenschap is die de enig juiste
oplossing biedt weerspiegelt volgens Van der Ploeg een positivistische
opvatting van wetenschap die uit de jaren vijftig stamt. ,,En het is
ronduit onbeleefd om op basis van die ouderwetse wetenschapsvisie over
iemand die kritiek heeft te zeggen dat die geen kennis van zaken heeft.’’
De discussie over het verkondigen van meningen in de media begon doordat dr
Pieter Vereijken deze zomer stelde dat de Nederlandse boer uitsterft en
daarmee veel aandacht van de media trok. Dijkhuizen verweet Vereijken dat
hij een mening verkondigde zonder verstand van zaken. Van der Ploeg: ,,Ik
ben het niet eens met Vereijken, maar iemand de mond snoeren, of erger nog,
van een capabel man zeggen dat hij geen verstand van zaken heeft, dat doe
je niet, dat hoort niet.’’ Volgens Van der Ploeg had Dijkhuizen juist het
omgekeerde moeten doen. ,,Hij had moeten zeggen dat Wageningen UR mensen
heeft met kennis van zaken, en als die onderling van mening verschillen,
dan weerspiegelt dat de pluriformiteit van de wetenschap en de spanning in
de samenleving over de landbouw.’’

Angsthazerij
De angst dat ongefundeerde meningen in de media het belang van de
organisatie kunnen schaden omdat opdrachtgevers een verkeerd beeld van de
organisatie zouden krijgen weerlegt Van der Ploeg: ,,Angsthazerij over het
verlies van opdrachtgevers mag de agenda van een universiteit niet
bepalen.’’ Zijn eigen ervaring is juist dat het hebben van een dwarse
mening bij opdrachtgevers juist welkom is. ,,Mijn boek ‘De virtuele boer’
kreeg intern in Wageningen UR kritiek omdat ik daarin het LEI, Alterra en
de proefstations kritiseer, maar ook omdat men zich afvroeg waarom ik de
belangrijkste opdrachtgever, het landbouwministerie, bekritiseerde. Maar
hoge topambtenaren van LNV vertelden me juist dat ze blij waren met het
boek. Ze kregen gratis de ongezouten kritiek die ze anders van een
adviesbureau hadden gekregen in een evaluatie van een half miljoen.’’
Wageningen UR zit erg dicht op het landbouwministerie en dat zou de angst
kunnen verklaren om die opdrachtgever voor het hoofd te stoten. Van der
Ploeg: ,,Maar juist LNV wil een grotere afstand tussen het ministerie en
Wageningen UR en heeft behoefte aan onafhankelijke kritische stellingen.’’
Naast de afhankelijkheid van LNV denkt Van der Ploeg dat ook de fusie
tussen Wageningen Universiteit en DLO bijdraagt aan de crisis over vrije
meningsuiting. Door die fusie heerst er een nieuwe bestuurscultuur die
alles wil plannen en beheersen, maar het maatschappelijk debat is volgens
Van der Ploeg niet te beheersen. ,,De universiteit en DLO hebben
verschillende maatschappelijke functies en dat moet je erkennen. Dat we nu
de postkamer delen wil nog niet zeggen dat we dezelfde huisregels over
omgang met de media moeten hebben.’’ Maar ook DLO-ers moeten niet
gemuilkorfd worden, vindt Van der Ploeg. ,,Ook daar ontstaat kennis en
innovatie door discussies tussen verschillende meningen. Ik denk dat ook
DLO niet zonder frisse ideeën kan.’’

Collectieve gêne
Zelf is Van der Ploeg niet bang dat hij zijn mening niet meer kan geven.
,,Er zijn untouchables, de gezaghebbende hoogleraren. Maar anderen hebben
die status niet en voelen zich bekneld en beperkt. Mensen zijn bang om
kritiek te hebben omdat ze dan minder kans op financiering van hun
onderzoek hebben. En jongere medewerkers die carrière willen maken kijken
wel uit iets te zeggen als ze zo duidelijk te verstaan wordt gegeven dat
naar buiten treden riskant is.’’ Er heerst, zegt Van der Ploeg, een
collectieve gêne om de stellingname van Dijkhuizen, maar die komt
nauwelijks naar buiten. ,,Er broeit veel onder de medewerkers wat niet naar
buiten komt. Er zit een groot gat tussen het gemopper aan de koffietafel en
de stellingname in het openbaar, en dat gat wordt steeds groter.’’
Naast een belediging van wetenschappers, vindt Van der Ploeg de stelling
van Dijkhuizen ook ‘een totale miskenning van de media’. ,,Journalisten
zijn geen stelletje onkundige mensen die borrelpraat optekenen, maar zijn
goed op de hoogte. Ze kunnen uitstekend het kaf van het koren scheiden en
weten hoe ze zaken moeten plaatsen.’’ Wie als wetenschapper bang is
overvallen te worden door een journalist, kan er voor kiezen dan maar niks
te zeggen en alleen een geleerd artikel te schrijven. Maar volgens Van der
Ploeg is het ook de taak van een wetenschapper op andere manieren bij te
dragen aan het maatschappelijk debat. ,,En dan moet je het klappen van de
zweep leren en meerdere talen leren spreken. Ook in de krant, op tv en
radio, tijdens een vergadering van boeren of in een wetenschappelijk
congres. Ik ga toch zeker niet alles wat ik zeg voorleggen aan het
bestuur?’’
Van der Ploeg zegt tot slot dat het aan rector prof Bert Speelman is om op
te komen voor de academische waarden aan de universiteit. ,,Een
universiteit moet vrijheid van onderzoek en vrijheid van meningsuiting
kennen. De rector moet daar voor staan.’’

Joris Tielens

Fotobijschrift:
Prof. Jan Douwe van der Ploeg: ,,Van een capabel man zeggen dat hij geen
verstand van zaken heeft, dat doe je niet, dat hoort niet’’ | foto Guy
Ackermans

Re:ageer