Wetenschap - 28 september 1995

Proefschrift komt tot stand met vallen en opstaan

Proefschrift komt tot stand met vallen en opstaan

Was de promotie vroeger het levenswerk van de wetenschapper, inmiddels is het een noodzakelijk examen voor de baan als universitair (hoofd)docent. De begeleiding van de promovendus wil er weleens bij inschieten. Hij moet goed navraag doen naar de persoon en werkwijze van zijn begeleider, maar soms gooit een vertrek roet in het eten.


Dr ir Th. Heijerman verdedigde afgelopen week zijn proefschrift in de Aula van de Landbouwuniversiteit. De wetenschappelijk medewerker van de vakgroep Entomologie voltooide pas na vijftien jaar zijn promotie. Hij had nauwelijks middelen ter beschikking en ontbeerde assistentie. Dat kost tijd, want onderzoek bestaat vaak uit een groot aantal routinematige handelingen waar laboranten of afstudeervakkers welkome hulp bieden.

Heijerman promoveerde op de stamboom van wantsen. Een paar jaar na de start van het onderzoek overleed prof. dr ir R.H. Cobben. Hij was de kenner van wantsen. Met zijn overlijden verdween de basis voor mijn werk bij de sectie Diertaxonomie: de verwerking van gegevens, die Cobben had verzameld, tot stambomen. Maar ik was inmiddels, als een soort hobby, met simulatiemodellen aan de gang gegaan. Daarmee was het mogelijk de stamboom van wantsen te reconstrueren. Vervolgens ben ik gevraagd om van dat werk mijn promotie te maken."

De diertaxonoom was als enige met dit onderwerp bezig. Er was een sfeer van: Je kan het wel alleen, toch?. Misschien dat prof. dr J.C. van Lenteren formeel mijn begeleider was, maar die heb ik nooit op mijn kamer gezien." Als onregelmatig klankbord fungeerde een in Leiden werkzame theoretisch bioloog. Ondertussen dobberde Heijerman's sectie stuurloos rond zonder eigen hoogleraar. Pas de laatste drie jaar had hij daadwerkelijke begeleiding van de nieuwe hoogleraar Diertaxonomie, dr R.J. Post. Maar toen had ik al mijn gegevens al verzameld. Hij heeft alleen de teksten gecorrigeerd. Overigens heb ik in al die jaren ook gewoon mijn taken als wetenschappelijk medewerker vervuld. Maar ik wil niet klagen, hoor."

Emeritaat

Ook dr ir C.E.J. van den Hombergh wil niet klagen, ondanks het record aantal begeleiders dat zij te verwerken kreeg. Als assistent in opleiding (aio) bij de vakgroep Gezondheidsleer en humane epidemiologie promoveerde zij in zeven jaar. In die tijd werkte zij vier dagen per week, verving zij een van haar begeleiders enkele maanden en kreeg ze twee kinderen. Nu werkt zij aan de Vrije Universiteit.

Haar zesde stelling bij het proefschrift luidt: Bij sollicitaties moeten aio's eerder navraag doen naar de persoon en de werkwijze van de promotor dan naar de functie van de aio." Van den Hombergh: Ik kende de vakgroep, en dus de promotor, niet. En dat is belangrijk, want de persoonlijkheden en de stijl van werken moeten bij elkaar aansluiten. Maar goed, de eerste promotor ging al snel met emeritaat. Twee begeleiders kregen beiden een andere baan en vertrokken. Toen ging de vakgroep enkele jaren zonder hoogleraar door het leven en had ik alleen een begeleider. Dus deed ik iets zeer ongebruikelijks: ik stelde een nieuwe co-promotor voor. Ik kende haar goed en de vakgroep ging akkoord. Pas aan het eind van mijn onderzoek kreeg ik vanuit de vakgroep weer een promotor aangewezen."

Mijn doel was promoveren", stelt Van den Hombergh beslist. Dus was ik bereid om concessies te doen in het onderwerp en de aanpak van mijn promotie. En verder moet je het zien te redden met de mensen die je om je heen krijgt. Dat is in iedere arbeidsorganisatie het geval."

Gelukkiger met zijn promotie en begeleiding is de op 29 september in de Aula optredende ir C.D. de Gooijer. Hij is nu acht jaar universitair docent bij de vakgroep Levensmiddelentechnologie en trok in die tijd ondermeer een studierichting uit de klei".

Nietje

Zijn promotor is prof. dr ir J. Tramper, een gedreven hoogleraar. Volgens De Gooijer komt het niet voor dat een promovendus zonder begeleiding aan het werk gaat onder het bewind van Tramper. Regelmatig zijn hier werkbesprekingen met de staf, de promovendi en de studenten die afstudeervakken doen. Soms blijft een te corrigeren tekst weleens wat langer liggen, maar dat is uitzondering. Overigens zijn proefschriften bij ons niet het levenswerk, maar een stel artikelen, voorwoord en general discussion erbij, nietje erdoor heen en klaar! Als universitair docent doe je het er allemaal maar bij."

In tegenstelling tot De Gooijer is de over een maand promoverende drs J. van Vreeswijk van de vakgroep Fysische en kolloidchemie ontevreden over de begeleiding. Bij de co-promotor kon ik altijd met vragen binnenlopen, maar wat ik nodig had was een gestructureerde manier om problemen in het onderzoek te bespreken. Ik heb de indruk dat nu teveel het onderzoek wordt begeleid. Eigenlijk heeft juist de onderzoeker begeleiding nodig."

Van Vreeswijk erkent dat de promotie toch de gelegenheid voor de aio is om te laten zien dat hij of zij tot zelfstandig onderzoek in staat is. Je moet leren overeind te krabbelen, dat klopt. Maar we zijn assistenten in opleiding. Als je fouten maakt of gaat maken, dan kan een begeleider je daarop wijzen of ervoor waarschuwen. Daar leer je sneller van. Bij aio's die door bedrijven of stichtingen worden betaald, zie je dat de begeleiding intensiever is."

Een voorbeeld daarvan is dr ir A. Jespers. Hij startte als toegevoegd onderzoeker op een project van twee jaar bij de vakgroep Fytopathologie. Net als Van den Hombergh kreeg hij te maken met het vertrek van zijn begeleider, in dit geval naar het bedrijfsleven. De nieuwe promotor, prof. dr ir P.J.G.M. de Wit, bleek niet zo diepgaand met zijn onderwerp vertrouwd te zijn. De ondersteuning bleef beperkt tot kritiek op de logica van zijn teksten voor het proefschrift. Jespers kon in die tijd terugvallen op de inhoudelijk steun van een oud-medewerker. Ook stuurde financier Ciba Geigy op hoofdlijnen, doordat Jespers elk half jaar rapportages moest bespreken in Basel.

Onderzoekscholen

Hij spreekt, net als enkele andere promovendi, de verwachting uit dat de begeleiding zal verbeteren met de instelling van onderzoekscholen. De aio wordt vrijgesteld voor de promotie en is voor een deel onderwijsvolger. Bij de vakgroep Plantenveredeling nemen we de proef op de som. Daar is hoogleraar prof. dr ir E. Jacobsen tevens directeur van de onderzoekschool Experimentele Plantwetenschappen. Dat moet dus een puike begeleiding opleveren.

Het secretariaat verwijst naar ir M. van der Wal, die in mei is begonnen met haar promotie. Ze is een oio (onderzoeker in opleiding) in het kader van een extern gefinancierd project. Wekelijks heb ik gesprekken met mijn directe begeleider. Die kunnen wel anderhalf uur duren. Daarbij word ik gewezen op interessante artikelen over vergelijkbaar onderzoek. Alles wordt doorgenomen en ik krijg praktische tips. Als ik alleen wat vragen kon stellen, zou ik snel uitgepraat en zeer ontevreden zijn. Verder komt Jacobsen geregeld in het laboratorium over onze schouder meekijken en houdt hij daarmee de grote lijn van het onderzoek in de gaten."

De fytopatholoog Jespers constateert dat allerlei aanstellingen tot onderzoeker geleidelijk verdwijnen. Een aio is goedkoper dan de toegevoegd onderzoeker, zoals hij was. En oio's worden alleen maar gewilder met het belastingvoordeel dat de regering op Prinsjesdag beloofde. Voeg daarbij dat de promoties ingebed worden in onderzoekscholen en er lijkt een zonnige, goed begeleide toekomst voor de promovendi te gloren.

Uitstervend

Dat denkt ook ir H.J. Vegter, medewerker van de afdeling Onderzoek en onderwijsbeleid. Ach, de promoverende medewerker behoort tot een uitstervende groep. Verder krijgen de vakgroepen een bepaalde hoeveelheid middelen om de aio te begeleiden. Daar kan de begeleiding uit betaald worden. In het onlangs gewijzigde rechtspositiereglement is opgenomen dat de aio recht heeft op tien studiepunten onderwijs. Dat is gebeurd op verzoek van het Wagenings aio-overleg."

Maar het kan verkeren. Ir H. de Vos werkt als oio bij de werkgroep Technologie en agrarische ontwikkeling. Eind oktober wil hij naar Costa Rica voor zijn onderzoek. Ware het niet dat zijn begeleider daar, na enige tijd niet geantwoord te hebben op brieven en diverse E-mails, hem met onaangenaam nieuws verraste. Hij had een baan in Indonesie geaccepteerd. Dat terwijl ik hem vanwege zijn expertise en aansluitende onderzoekmethodiek juist als begeleider heb gekozen."

De Vos volgde keurig het advies van Van den Hombergh op: kies je begeleider zorgvuldig uit. Dan denk je dat je je zaakjes goed geregeld hebt, maar dat is altijd oppassen in de tropen. Nu kan ik weer brieven gaan schrijven om zelfs maar een telefoon en bureau geregeld te krijgen."

Re:ageer