Organisatie - 15 september 2015

Prinsjesdag: miljoenen van basisbeurs moeten nog komen

tekst:
Hoger Onderwijs Persbureau

De basisbeurs is wegbezuinigd, maar die honderden miljoenen euro’s voor het hoger onderwijs staan voorlopig nog niet in de Rijksbegroting. Hoe zit dat ook alweer?

Foto: Rijksoverheid. Tekst: Bas Belleman

Prinsjesdag is eigenlijk niet zo’n spectaculaire dag voor het hoger onderwijs. Behalve de outfit van minister Bussemaker is er sinds vorig jaar niet zoveel veranderd. Er is in 2016 ongeveer net zoveel geld beschikbaar, met hier en daar een plus of een min.

Dat klinkt misschien vreemd, want intussen is wél de basisbeurs verdwenen. Die krijg je niet meer, als je aan een bachelor of master begint. Dat gaat het hoger onderwijs honderden miljoenen opleveren, zeggen de voorstanders. Waarom zien we die dan nog niet terug in de Miljoenennota?

Daar is een eenvoudige verklaring voor. De basisbeurs was eigenlijk ook een lening, alleen werd die bij afstuderen kwijtgescholden. Zonder basisbeurs gaan studenten naar verwachting meer lenen, dus op papier verandert er vooralsnog weinig. Pas als oud-studenten gaan terugbetalen levert het leenstelsel geld op.

En dat duurt nog wel even. De eersten die hun extra studieschuld gaan aflossen zijn masterstudenten die in 2016 hun diploma behalen. Zij hoeven pas op 1 januari 2019 te beginnen met terugbetalen en mogen daar 35 jaar over doen.

De huidige eerstejaars bachelorstudenten zullen niet eerder dan 2019 afstuderen en gaan dan op zijn vroegst in 2022 aflossen. Kortom, die honderden miljoenen laten nog even op zich wachten.

Het kabinet wil daarnaast op de ov-studentenkaart bezuinigen, maar dat geld is er ook nog niet. Eerst moeten hogescholen en universiteiten overleggen met ov-bedrijven en hun lessen beter gaan spreiden over de dag, zodat studenten minder in de dure spits reizen. Dat moet op termijn tweehonderd miljoen opleveren, en ook die is bestemd voor het hoger onderwijs.

De kaart kost nu jaarlijks zo’n zevenhonderd miljoen euro en als er niets gebeurt, lopen de kosten op tot een miljard. In 2025 mag het ‘reisrecht’ maximaal 750 miljoen euro kosten, is de ambitie, met een tussenstap van 850 miljoen in 2020.

Studenten zouden al wel iets moeten merken van extra investeringen in het hoger onderwijs. Met ingang van 2015 moeten universiteiten en hogescholen drie jaar lang tweehonderd miljoen per jaar extra aan onderwijs besteden, vooruitlopend op de inkomsten in latere jaren. Maar dat zie je niet terug in de onderwijsbegroting van het kabinet.

In 2018 komt het ministerie voor het eerst zelf over de brug met tweehonderd miljoen euro extra. Op termijn krijgt het hoger onderwijs er ruim zeshonderd miljoen euro per jaar bij, en als het meezit ook die tweehonderd miljoen van de ov-studentenkaart.


Re:ageer