Wetenschap - 1 januari 1970

Predator

Predator


Vroeger werden tijdens de AID mijn allerslechtste gevoelens wakker. De
aanblik van honderden argeloze proto-studentes, die uitzwermden uitzwermen
over Wageningen, was voldoende. Fris waren ze, jong en naïef, net jonge
gazellen op de vlakte van de Serengeti. Ravottend en onbewust van de
gevaren der wildernis, die buiten hun bliksveld op hun sappige vlees
aasden. Zoals de hongerige predator achter het rotsblok, dames en heren.
Dat bespottelijke overhemd. Dat hoofd! Is dat… is dat niet…
Nee, het is hem niet. Die tijd is voorbij. Geen lustgevoelens meer tijdens
de AID, alleen maar melancholie. De nieuwkomers worden alsmaar jonger en
mooier, terwijl mijn hoofd alleen maar ouder, gerimpelder en grijzer wordt.
Het trieste restant van mijn jachtinstinct gebruik ik uitsluitend nog voor
Konijn en Beer, de knuffels van mijn dochtertje. Ze neemt ze overal mee
naar toe, verstopt ze op de meest idiote plaatsen en is dan ’s avonds, als
Konijn en Beer mee naar bed moeten, ten einde raad.
Gelukkig is er nog Pappie. Daar hurkt hij bij de zandbak, beste kijkers.
Hoort u hem steunen als hij door zijn knieën gaat? En grommen, als hij
ontdekt dat hij in een boterham met chocopasta is gaan zitten? Toch heeft
zijn voorgevoel het oude roofdier niet bedrogen. Als hij de vrachtwagen
opzijschuift, dan steekt daar een blauw konijnenoor onder het zand vandaan.
En dat dingetje daar, vlak ernaast, dat zou wel eens de poot van een
speelgoedbeer kunnen zijn. |
W.K.

Re:ageer