Wetenschap - 5 juli 2001

Praktijkonderzoek als gezicht van Wageningen voor boeren

Praktijkonderzoek als gezicht van Wageningen voor boeren

Vertrekkend directeur Den Hartog pleit voor eenheid binnen Wageningen UR

De verschillende onderdelen van Wageningen UR zouden zich vaker als 'Wageningen' moeten presenteren, vindt Leo den Hartog, die zelf de laatste jaren in Rosmalen en Lelystad werkte voor Praktijkonderzoek Dierhouderij. Den Hartog vertrekt deze zomer naar multinational Nutreco.

Den Hartog vertrekt per 1 augustus naar de snel groeiende diervoedergigant. Hij gaat binnen het bedrijf leiding geven aan de afdeling Research & development agriculture. Naast het leiden van een groep onderzoekers betekent dat vooral veel onderzoek uitbesteden aan onderzoeksorganisaties zoals Wageningen UR. "Er zijn inderdaad mensen die mij nu nog hartelijker begroeten."

Tot het jaar 2000 gaf Den Hartog leiding aan Praktijkonderzoek Varkenshouderij in Rosmalen. Het laatste jaar was hij directeur Onderzoek en kennisoverdracht van het gefuseerde Praktijkonderzoek Dierhouderij. Den Hartog was onder andere verantwoordelijk voor de verhuizing van Praktijkonderzoek Varkenshouderij van Rosmalen naar Lelystad.

Volgens Den Hartog, die eerder ook werkte voor de universiteit, identificeren medewerkers van Wageningen UR zich nog nauwelijks met de koepelorganisatie. "Als je iemand vraagt 'waar werk je' zullen weinig mensen antwoorden 'bij Wageningen UR'. De kenniseenheden staan straks voor de vraag hoe ze zichzelf moeten profileren: nadrukkelijk als kenniseenheid Dier of Plant, of veel meer onder de vlag van Wageningen UR. Ik denk dat we de koepelnaam 'Wageningen' vaker moeten gebruiken. Wij werken als Praktijkonderzoek Dierhouderij samen met veel onderdelen van Wageningen UR, ook met onderdelen van buiten de kenniseenheid Dier. Daar zouden we meer mee naar buiten moeten treden. Dat komt nu echter maar moeizaam van de grond. We profileren ons te weinig als Wageningen UR."

Dat veel medewerkers van het praktijkonderzoek zich niet identificeren met Wageningen UR betekent volgens Den Hartog niet dat de vernieuwde samenwerking met Wageningen UR niet wordt gewaardeerd. "Samenwerking hangt natuurlijk af van mensen, niet van structuren. Ik zie steeds meer dat mensen elkaar weten te vinden. We moeten uitkijken dat we niet blijven hangen in allerlei interne discussies. Hoe het georganiseerd is zal de buitenwacht een zorg zijn. Als het maar goede producten oplevert."

Een belangrijke hindernis die Wageningen UR nog niet heeft weten te nemen is de eenduidige tariefstructuur. Voor opdrachten die DLO uitvoert voor de universiteit of andersom heeft de raad van bestuur een vereveningsfonds in het leven geroepen. Dat zorgt ervoor dat elk van de instituten nooit meer betaalt dan het eigen tarief. "Een zwaktebod", vindt Den Hartog. "Als je kijkt naar wat er beter kan, denk ik in eerste instantie aan de tariefstructuur. Daar hebben we het al vaak over gehad, maar we komen er niet uit. Als een klant op dit moment bij vijf onderdelen van Wageningen UR een prijsopgaaf vraagt krijgt hij waarschijnlijk vijf verschillende prijzen. Dat kan niet."

Voor het praktijkonderzoek ziet Den Hartog een rol weggelegd als het gezicht van Wageningen UR voor boeren. "Wij krijgen een substantieel deel van ons onderzoeksbudget via heffingen van de boeren. Wij moeten zorgen dat ze waar voor hun geld krijgen." Het praktijkonderzoek heeft van oudsher nauwe contacten met de primaire sector. "Vroeger zaten de boeren ook in de besturen. Het praktijkonderzoek was ook van hen." Die relatie is nu zakelijker geworden, maar nog steeds weten de boeren de proefbedrijven van het praktijkonderzoek te vinden. Jaarlijks trekken de open dagen zo'n 40.000 bezoekers. Die contacten zou Wageningen UR moeten benutten om te peilen wat de landbouwsector vraagt van Wageningen. | K.V.

Re:ageer