Wetenschap - 1 januari 1970

‘Praktijkcentra zijn hart en wortel van organisatie’

Het Praktijkonderzoek van de Animal Sciences Group kampt met tekorten door teruglopende bestedingen van de belangrijkste opdrachtgevers, het ministerie van LNV en de productschappen. Daarom staan, aldus interim-hoofd prof. Pim Brascamp, in principe alle praktijkcentra op de tocht. De elf centra voor onderzoek naar koeien, varkens, kippen en paarden zijn nu gedwongen bedrijfsplannen te schrijven. Hierin moeten ze nadrukkelijk op zoek naar andere, regionale inkomstenbronnen. Wb bezocht vijf centra om te bekijken wat ze doen en hoe ze de toekomst zien. Deel 2: De zuidelijke proefbedrijven Sterksel (varkens) en Cranendonck (koeien).

Praktijkcentrum Sterksel ligt in het hart van de grootschalige varkenshouderij in zuid-Nederland, in het Brabantse land ten zuidoosten van Eindhoven, tussen de boerderijen, weilanden en bossen.
Het bedrijfscomplex met stallen, kantoor- en ontvangstruimte ziet er goed uit; het is de afgelopen jaren flink gerenoveerd. Aan de achterkant van het terrein loopt een pad van het Brabants Landschap voor ruiters, fietsers en voetgangers. Op het centrum wordt in samenwerking met het Brabants Landschap ook natuur ontwikkeld. Er zijn struikjes geplant en er is een kikkerpoel gegraven die wordt gevoed met regenwater dat van de daken stroomt. ,,We willen ook een schuilhut met informatie over de varkenshouderij neerzetten’’, vertelt ing. Mart Smolders (26), die begin dit jaar Koos Broekman opvolgde als bedrijfsleider.
Deze kleinschalige activiteit die het milieu-imago van de varkenshouderij moet oppoetsen, valt in het niet bij wat er verder op het praktijkbedrijf gebeurt. Op Sterksel onderzoeken ze namelijk alles wat met de reguliere varkenshouderij te maken heeft. Er lopen 300 zeugen en 2400 vleesvarkens, verspreid over verschillende soorten stallen. ,,De experimenten hier lopen van embryotransplantatie tot nieuwe stalconcepten’’, vertelt Smolders tijdens de rondleiding. In een blauwe stofjas en groene laarzen loopt hij langs stallen voor proeven met brijvoeder, soorten groepshuisvesting, klimaatbeheersing en kraamhokken. Bewegende hekken en vloerdelen moeten hier voorkomen dat de zeug bovenop haar biggen gaat liggen. Door de glaswanden kun je vanaf de gangpaden veilig overal naar binnen kijken. Buiten in schuren draaien nog een mestscheider en een biogasinstallatie. ,,Er is veel behoefte aan kennis. Zo organiseren we bijvoorbeeld bouwersmiddagen, waarop varkenshouders informatie kunnen krijgen over investeringskosten, materiaalkosten en installatie. Dat loopt als een trein. Nergens anders vind je een onafhankelijke ervaringsdeskundige waar je ook de nieuwste ontwikkelingen kunt zien. Zo ziet de sector ons ook. We zijn altijd een partij geweest die beide zijden een spiegel heeft voorgehouden. We bekijken alles altijd van twee kanten. Wat is voor de overheid acceptabel én voor de varkenshouders. Je kunt ondernemers namelijk niks opleggen tegen de wetten van de economie in’’, betoogt Smolders.

Stal met balkon
Onderzoek op Sterksel draait meestal om economische haalbaarheid en technische mogelijkheden. Belangrijk is ook dat het binnen de regels is. Een typisch voorbeeld van innoveren op de vierkante meter is de ontwikkeling van een stal voor vleesvarkens met een balkon. Het beest heeft hierdoor in plaats van 0.7 vierkante meter wel 1 vierkante meter ruimte, zoals de nieuwe regels voorschrijven. Terwijl het gebruikte vloeroppervlak hetzelfde blijft.
Smolders is blij met de goede contacten met de sector. ,,Onze contacten met het bedrijfsleven leveren veel derdegeldstroomonderzoek op. We hebben een zeer groot netwerk. Hier komen jaarlijks drieduizend varkenshouders. Alleen zijn de onderzoeksafdelingen van het Praktijkonderzoek de afgelopen jaren flink afgekalfd. Eerst hadden we vier, vijf mensen die boegbeelden waren. Als iemand iets wilde weten over bijvoorbeeld voeding, wist iedereen in de sector wie ze moesten hebben. Dat is door de centralisatie veranderd. Onderzoekers zijn vervreemd van de praktijk. Het zijn geen varkensfreaks meer. Ik mis mensen die meedenken met de ondernemers en ’s avonds bijeenkomsten bezoeken. Men moet meer naar de regio toe en met de poten in de praktijk staan.’’ Ook voor acquisitie zijn goede contacten, in binnen en buitenland, nodig. ,,Als je de bedrijven en de sector kent, weet je namelijk waar varkenshouders in geïnteresseerd zijn. Als zij interesse hebben is de overheid geïnteresseerd. En bedrijven zijn geïnteresseerd als ze het hier aan 3000 varkenshouders kunnen laten zien.’’
Smolders vindt het maar niks dat ieder praktijkcentrum een eigen bedrijfsplan moet maken. ,,Ik zag liever één plan voor het hele praktijkonderzoek van ASG. Nu is het net of de praktijkcentra ter discussie staan. Terwijl de praktijkcentra de wortel in de regio en het hart van de organisatie zijn. Anders wordt het een modellenbureau.’’
Smolders is verder niet gelukkig met de centralisatie van het praktijkonderzoek. ,,In een businessplan moet je ook bekijken hoe zaken intern zijn geregeld. De overhead is hoog. Misschien is het bijvoorbeeld goedkoper de loonadministratie uit te besteden.’’
Tot slot ziet hij zijn praktijkcentrum niet ter discussie staan. Niet alleen vanwege de positieve financiële resultaten, maar ook omdat de sector zich achter het praktijkcentrum zou scharen. Soms steekt het dat de bedrijfsexploitatie naar centraal gaat. ,,Natuurlijk wil ik dat houden. Daar worden op andere plekken gaten mee gedicht. In een ideale situatie zouden alle bedrijven winst maken waardoor iedereen een marge op geïnvesteerd vermogen kan halen en je ieder jaar geld kunt reserveren voor innovatie.’’

Cranendonck
Praktijkcentrum Cranendonck ligt op een deel van voormalig landgoed Cranendonck in Soerendonk, niet ver van Sterksel. Voor de rondleiding op het bedrijf moeten voor de hygiëne de schoenen uit en schone laarzen en een stofjas aan. Pas dan kan er een kijkje worden genomen in de oude stallen met het in deze contreien gebruikelijke roodbonte vee. ,,Toen deze stal in 1975 werd gebouwd was het nog nieuw dat koeien los in de stal liepen. Tegenwoordig krijgen ze meer licht en lucht’’, vertelt medewerker Peter Jan ten Haken. De koeien hebben een zender om de nek waarmee ze deurtjes voor krachtvoer kunnen openen. Ook worden ze bij iedere melkgang automatisch gewogen. Verder lopen er zeventig stuks jongvee.
Specifiek voor de locatie Cranendonck is de zandgrond waarop ze zitten, een arme, droogtegevoelige grond. ,,Zandgrond brengt alleen wat op als je veel mest en water gebruikt’’, legt Ten Haken uit. Als door nieuwe Europese regels minder mest gebruikt mag worden voorziet hij dertig procent minder opbrengst, wat veel boeren in de problemen zal brengen. Schaalvergroting lijkt voor de bedrijven geen optie vanwege het kleinschalige landschap met veel belanghebbenden. Zo ziet de gemeente voor de recreanten bij voorkeur gras en koeien op de percelen in het bos, terwijl boeren juist op deze afgelegen percelen maïs telen. Toch wil het praktijkcentrum aan gaan tonen dat grootschaliger duurzame landbouw in een extensiveringgebied mogelijk is. Daarom werken ze aan plannen voor een grootschalig melkveehouderijbedrijf met 175 koeien, dat ze willen verbreden met zogenaamde groene, blauwe en sociale diensten. Ze willen daarvoor intensief gaan samenwerken met de gemeente Cranendonck, omdat het Cranendoncks bos naast de gronden van het praktijkcentrum ligt. ,,We zouden groene diensten als bosonderhoud kunnen doen, en faciliteren dat bijvoorbeeld gehandicapten of overspannen managers in de bossen werken. Verder stroomt de Aa hier over het terrein, een beek die ecologische verbindingszone is. We onderzoeken nog hoe je die het beste kunt beheren’’, vertelt bedrijfsleider Karola van der Wende (30). Ze denkt zowel uit de bedrijfsvoering van de brede diensten als uit het onderzoek dat die meebrengt geld te kunnen genereren.
Het praktijkcentrum is 52 jaar geleden door de sector opgericht en had een boerenbestuur en een onderzoekscommissie met daarin mensen van bijvoorbeeld de toenmalige NCB (de huidige Zuidelijke Land- en tuinbouworganisatie) en de Limburgse Land-en tuinbouwbond. Met de overgang naar Wageningen UR is de identiteit van het centrum volgens bedrijfsleider Karola van der Wende verwaterd. ,,Tien jaar geleden was er nog een sterke regionale binding met organisaties en boeren.’’ Nadat de regiobedrijven de afgelopen jaren zijn ontmanteld moeten ze nu van het management weer de boer op. Maar het kost tijd om de regionale contacten weer op te bouwen.

Eigen broek
Van der Wende is het niet eens met het feit dat proefbedrijven hun eigen broek op moeten gaan houden. ,,De tijd is voorbij dat je het als praktijkcentrum alleen doet. We zijn nu eenmaal Wageningen UR. Maar binnen WUR moet iedereen dan wel van de proefbedrijven gebruik maken. Nu lijkt het soms alsof we elkaar beconcurreren. PRI doet nu bijvoorbeeld onderzoek dat wij eerst van a tot z uitvoerden voor een deel zelf, omdat ze mensen over hadden. Ook heb ik laatst een proef binnengehaald, die uiteindelijk ergens anders is komen te liggen. Verder leveren aanvragen bij regiobudgetten niet altijd experimenteel onderzoek op, maar soms wel deskstudies voor Praktijkonderzoek. Maar als ik door mijn baas wordt afgerekend op mijn begroting, en ik heb een proef niet gekregen en een ander wel dan is dat toch vestzak broekzak?’’
Cranendonck heeft door de jaren heen vooral verlies gedraaid. Van der Wende denkt door de kosten aan overhead die de centralisatie meebrengt ook geen winst te kunnen maken. Verder legt medewerker Ten Haken uit dat innovatief bezig zijn op een proefbedrijf altijd duur is. ,,Van de negen experimenten is er soms één goed.’’ Het bedrijf heeft daarnaast net als andere melkveehouderijen te kampen met lage prijzen voor melk en vee.
Cranendonck doet nu veel veldproeven met maïs en gras. Daarnaast kijken ze naar bijvoorbeeld het effect van beweiding en het tijdstip van scheuren op nitraatuitspoeling, en naar graasgedrag en voeropname van koeien. In de toekomst wil Van der Wende graag in samenwerking met de ZLTO een kenniscentrum voor de regio zijn. ,,Als mensen iets willen weten over bemesting moeten ze in het zuiden op Cranendonck zijn’’, zo omschrijft ze het concept. Daar horen ook bijscholing van boeren en bedrijfsleven bij, en banden met agrarische opleidingen als de hogere en middelbare agrarische scholen uit de buurt. ,,Ze zouden hier hun praktijklessen kunnen houden.’’ Verder heeft Cranendonck bijvoorbeeld samen met de Hooibeekhoeve in Geel, een Belgisch proefbedrijf, een voorstel bij de Europese Unie ingediend voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsconcepten waarvan de stal een belangrijk onderdeel is. Ook de provincie Noord-Brabant participeert al in een aantal projecten. Van der Wende: ,,Je doet het werk toch voor de boeren in Nederland met gelijksoortige omstandigheden.’’

Yvonne de Hilster

Re:ageer