Organisatie - 6 maart 2008

Portretten van eredoctoren Pauly en Baulcombe

Daniel Pauly en David Baulcombe worden vrijdag 7 maart tijdens de viering van de geboortedag van de universiteit benoemd tot de vijftigste en eenenvijftigste eredoctor van Wageningen. Hieronder interviews met deze twee uitzonderlijke wetenschappers.

121_achtergrond0.jpg
121_achtergrond0.jpg

Foto: Martin Dee

Zeekenner zonder blad voor de mond

‘Je hoeft je geen zorgen te maken over het leven in de zee, als je maar zeker weet dat je kinderen van planktonstoofpot houden.’ Dat is één van de stellingen waarmee prof. Daniel Pauly aandacht vraagt voor de gevolgen van overbevissing. Hij wordt vrijdag benoemd tot eredoctor van Wageningen Universiteit.
Pauly krijgt zijn eredoctoraat vanwege zijn wetenschappelijke prestaties, maar zeker ook vanwege zijn rol in het wereldwijde debat over overbevissing. In een interview met Nature in 2003 zei Pauly dat hij herinnerd wil worden als de man die de wereld heeft duidelijk gemaakt dat de invloed van de visserij op het zeeleven even desastreus is als die van een grote meteorietinslag op het landleven.
Onder vakgenoten zijn de wetenschappelijke prestaties van Pauly onomstreden. Hij schreef vijfhonderd artikelen waarvan zes in Nature en Science. Hij toonde in 1998 aan dat vissers wereldwijd de grote roofvissen uit de zee hadden gevist, en dat ze in de loop van de jaren steeds meer vissen boven halen die lager in de voedselketen zitten en steeds minder vissen die hoger in de keten zitten. Fishing down the food chain, noemde hij dat.
Wel omstreden zijn de verregaande uitspraken die Pauly doet op basis van zijn onderzoek. Als de hiervoor beschreven trend niet gekeerd wordt kunnen wij over een paar jaar alleen nog maar zeekomkommers en kwallen eten, voorspelde hij. En daarmee maakte hij zich bepaald niet geliefd onder vissers en visserijbiologen.
‘Je hebt mensen die vinden dat wetenschappers de taak hebben om de barricaden te beklimmen bij maatschappelijke debatten, anderen vinden dat je wat meer afstand moet houden. Pauly behoort duidelijk tot de eerste groep’, zegt erepromotor prof. Johan Verreth, hoogleraar Aquacultuur en visserij. Zelf houdt Verreth liever wat afstand. Uit zijn mond geen doemscenario’s. ‘Zo stevig als hij het zegt, nee. Ik geloof niet dat wij bang hoeven te zijn dat onze kinderen alleen maar plankton of kwallen kunnen eten. Maar Pauly weet door stevige uitspraken wel het algemene publiek te bereiken. Hij slaagt er in media-aandacht te krijgen voor het probleem. Als er iemand is die invloed heeft op de publieke opinie over visserij, dan is hij het.’
Pauly begon zijn wetenschappelijke carrière in de jaren zeventig in Indonesië. Hij legde daar de grondslag voor rekenmodellen die zonder gegevens van dure onderzoeksschepen toch een goede indicatie van visbestanden opleveren. Verreth: ‘Dat is heel belangrijk. In veel landen is er geen geld voor gedegen onderzoek met proefvangsten. Pauly heeft modellen ontwikkeld die met simpele gegevens toch een beeld geven van de vispopulaties.’
Het toegankelijk maken van gegevens loopt als een rode draad door de carrière van Pauly. Vanuit het visserij-instituut in Vancouver zette hij een soort Wikipedia voor vissen op, www.fishbase.org. Dat is een database met gegevens van dertigduizend verschillende vissoorten die werkt via open access. Iedereen kan gegevens toevoegen. Uiteindelijk zou hij graag één grote database maken waar bezoekers met één druk op de knop alle gegevens van een bepaald stuk zee kunnen krijgen: de aanwezige soorten vissen, vogels, zoutgehalte, vervuiling. Fishbase is volgens Verreth nu al een onmisbaar gereedschap voor studenten en onderzoekers.
Critici van Pauly zeggen dat hij teert op oude roem en zijn vlotte babbel. Het echte werk zou nu gedaan worden door anderen in zijn instituut, terwijl Pauly vooral boegbeeld is. Verreth is het daar niet mee eens. ‘Natuurlijk doet hij niet alles zelf. Zijn grote verdienste is ook dat hij erin is geslaagd om heel veel toppers uit het vakgebied aan zijn instituut te verbinden. Vancouver is nu hét centrum in de visserijwereld. Pauly is bijzonder invloedrijk. Als iemand voldoet aan de slogan Science for impact, is hij het.’ / Korné Versluis


Miskende ontdekker van gene silencing

Met de toekenning van een eredoctoraat aan David Baulcombe willen Wageningse wetenschappers een statement maken. De Britse bioloog liep volgens hen in 2005 ten onrechte de Nobelprijs mis voor de ontdekking van RNA-interferentie.
Baulcombes belangrijkste werk publiceerde hij in 1999 in Science. Hij en andere plantenwetenschappers waren al sinds het begin van de jaren negentig bezig om een aantal onbegrepen fenomenen in planten te verklaren. Eind jaren negentig legde Baulcombe een paar van de laatste stukjes die de puzzel compleet maakten en leidden tot de ontdekking van RNA-interferentie.
Dat verschijnsel wordt nu gezien als één van de belangrijkste nieuwe ontdekkingen in de biologie en de geneeskunde. Het wordt ook wel gene silencing genoemd omdat het wetenschappers in staat stelt om zonder genetische modificatie genen het zwijgen op te leggen. Dat kan in planten en schimmels, maar ook in mensen. De techniek zou daarmee een hele nieuwe groep van medicijnen op kunnen leveren.
Niemand keek er dan ook van op dat de Nobelprijs voor medicijnen in 2006 werd toegekend aan de ontdekkers van het verschijnsel. Maar waar bij twee eerdere prijzen drie onderzoekers geëerd werden - de Amerikanen Andrew Fire en Craig Mello en de Brit David Baulcombe - gaf het Nobelprijscomité de eer slechts aan de eerste twee, die werkten met de nematode C. elegans. Baulcombe viel buiten de boot.
Ten onrechte, vinden vooral plantenonderzoekers. Zij stellen dat het comité miskent dat de belangrijkste ontdekkingen zijn gedaan door plantenwetenschappers. De Wageningse viroloog prof. Rob Goldbach, erepromotor van Baulcombe, is het met die kritiek roerend eens. ‘Kennelijk heeft onderzoek aan planten minder impact dan aan dieren, al zijn het maar wormpjes.’
Baulcombe liet zien dat planten over een verdedigingsmechanisme tegen virussen beschikken, door resten van stukgeknipt erfelijk materiaal van virussen aan te tonen in plantencellen. Erfelijk materiaal komt voor in twee vormen: DNA en RNA. De genen van dieren en planten bestaan uit DNA. Hogere organismen gebruiken RNA om de boodschap van de genen over te brengen naar andere delen van de cel. DNA bestaat uit twee strengen die samen een dubbele helix vormen. Het boodschappermolecuul RNA bestaat uit een enkele streng.
Veel virussen gebruiken geen DNA, maar RNA als drager van hun erfelijke eigenschappen. Zij doen dat vaak in een vorm die in gezonde planten en dieren niet voorkomt, namelijk dubbelstrengs. De aanwezigheid van dubbelstrengs RNA is dus een signaal voor een plantencel dat er onraad is. De reddende engel in dat geval is een eiwit dat het dubbelstrengs RNA kapot knipt en zo virussen onschadelijk maakt.
Wetenschappers ontdekten dat dat niet de enige verdedigingslinie vormt in een plantencel. Stukjes van het stukgeknipte virus worden als een soort vingerafdruk opgenomen in andere, speciale eiwitten. Die gaan met de vingerafdruk op zoek naar vergelijkbare RNA-strengen, en breken die af zodra ze die tegenkomen. Dit verdedigingsmechanisme van planten bleek ook in dieren en schimmels voor te komen. Hogere organismen gebruiken het niet alleen om zich te verweren tegen indringende virussen, maar ook om processen in hun cellen te regelen.
Baulcombe ontdekte ook hoe je het mechanisme kunt gebruiken om genen in planten uit te schakelen. Door een stukje van een plantengen in te bouwen in een virus, kun je de plant ertoe aanzetten om zijn verdediging in te zetten tegen het boodschapper-RNA van dat gen. Het gen zit dan nog wel in de plant, maar kan zijn boodschap niet meer doorgeven. Door de effecten daarvan te bestuderen, kunnen onderzoekers nagaan welke functies verschillende genen hebben.
Medici verwachten dat het ook nieuwe mogelijkheden biedt in de strijd tegen bijvoorbeeld kanker. Zij hopen dat ze met de techniek kankergenen of genen van bijvoorbeeld het hiv-virus het zwijgen op kunnen leggen. Goldbach: ‘Wij willen met het toekennen van het eredoctoraat een beetje recht doen aan de belangrijke rol die Baulcombe heeft gespeeld bij de ontdekking van dit fenomeen dat standaardinformatie zal zijn in biologische handboeken. Hij was de echte pionier en ontdekker. Fire en Mello zijn schatplichtig aan hem.’ / Korné Versluis

Eredoctoraten

Waar andere universiteiten nog wel eens beroemdheden willen eren met een eredoctoraat, heeft Wageningen een vrij degelijk benoemingsbeleid. Zeker de laatste decennia vielen alleen echte wetenschappelijke toppers in de prijzen.
De eerste eredoctoren werden al in 1918 benoemd, in het jaar van de oprichting van de Landbouwhogeschool. Minister Folkert Evert Posthuma en inspecteur van het landbouwonderwijs P. van Hoek werden ermee beloond voor hun bijdrage aan de stichting van de Wageningse hogeschool. Voor de oorlog werd ook een aantal prominente hoogleraren na hun emiritaat gehuldigd met een eredoctoraat.
In de lijst van eredoctoren zijn duidelijk de landbouwwortels van Wageningen terug te zien. Pieter de Boer, een Friese melkveehouder die al voor de oorlog experimenteerde met stikstof en na de oorlog het boegbeeld werd van de hoogproductieve landbouw, kreeg het doctoraat in 1974. Verder kregen ook de eerste directeur van de wereldvoedselorganisatie, en M.S. Swaminathan, de vader van de Groene revolutie in India een eredoctoraat. In Nederland is Sicco Mansholt, landbouwminister en Europees commissaris, waarschijnlijk de bekendste eredoctor.
De eredoctoren worden meestal benoemd tijdens de vieringen van lustra. Alle Wageningse hoogleraren kunnen kandidaten voordragen. Na een selectie door het college van promoties neemt de rector het uiteindelijke besluit. Rijk wordt een eredoctor niet van zijn benoeming. Naast de eer ontvangt hij een kappa, een versiersel dat hij bij academische plechtigheden kan dragen.

Re:ageer