Wetenschap - 12 januari 2016

Poorter ontdekt geheim van bomen

tekst:
Roelof Kleis

Het succes van een boom wordt wereldwijd bepaald door maar drie fundamentele kenmerken: de dichtheid van het hout, het specifieke bladoppervlak en de maximale hoogte.

Een bos is een slagveld. Bomen en planten zijn voortdurend met elkaar in concurrentie. Ze strijden om licht, ruimte en voedingsstoffen. En wie dat het beste, het snelste of het slimste doet, die blijft. Maar wat bepaalt nou het succes van een boom? Traditioneel wordt competitief succes vastgesteld door soorten paarsgewijs naast elkaar te zetten en te kijken wie er wint, legt persoonlijk hoogleraar Lourens Poorter uit.

Maar dat is old school, om het een tikkeltje oneerbiedig te zeggen. ‘Dan weet je bijvoorbeeld hoe het zit met de concurrentieverhouding tussen een pioniersoort als een berk en een gesloten-bossoort als een beuk. Maar wat zegt dat over willekeurig welke andere soorten?’ Poorter en veel collega’s in de wereld kijken daarom verder en zijn op zoek naar universele wetten. Hij noemt het ‘de droom’ van elke ecoloog. In een artikel in Nature legt Poorter samen met een groep internationale collega’s een flinke basis voor zo’n benadering.

Poorter en een veertigtal collega’s brachten van meer dan drie miljoen bomen wereldwijd in kaart hoe de stamdiameter (doorsnee op 130 cm hoogte) van een boom afhangt van omringende bomen. Dat groeisucces werd in verband gebracht met drie functionele kenmerken van de betrokken bomen: de dichtheid van het hout, het specifieke bladoppervlak (bladoppervlak per gram blad) en de maximale volwassen hoogte van de boom. Die drie kenmerken samen verklaren hoe een boom het alleenstaand of in competitie doet.

Als je moet concurreren met een beuk heb je het slecht
Lourens Poorter

En dat is best verrassend, zegt Poorter. ‘Eigenlijk hadden we verwacht dat we veel verschil zouden zien tussen de verschillende leefgebieden. Dat die verbanden heel anders zouden liggen in een warm en nat tropisch loofbos dan bijvoorbeeld in een koud boreaal naaldbos.’ Maar dat is dus niet zo. De genoemde kenmerken bepalen op een voorspelbare manier en wereldwijd de uitkomst van competitie tussen bomen. Daarbij bepaalt vooral de houtdichtheid het uiteindelijke succes.

Soorten met dicht hout zijn toleranter (kunnen beter tegen competitie door de buurman) en competitiever (ze onderdrukken de groei van de buurman). Poorter: ‘Als je moet concurreren met een beuk heb je het slecht. Een beuk heeft dicht hout en vormt een dik bladerdak. Dat is de verkeerde buurt, daar kun je beter niet wonen.’ Hun langzame groei weegt al met al ruimschoots op tegen de competitieve voordelen.

Met de gevonden wetmatigheden kunnen ecologen in principe een bos samenstellen. Poorter: ‘We weten welke soortkenmerken  succesvol zijn vroeg in de successie (als er weinig concurrentie is) en laat in de successie (bij veel concurrentie). Als we bijvoorbeeld een bos willen restaureren dan weten we nu welke bomen we aan moeten plannen. We begrijpen de successie beter. Ik werk zelf veel in tropisch bos. Maar kennelijk werken dit soort mechanismen universeel. Mogelijk komt dat doordat het allemaal om concurrentie om licht draait en is concurrentie om ondergrondse nutriënten minder belangrijk.

Lees ook:


Re:ageer