Wetenschap - 1 januari 1970

Politiek Den Haag degradeert VWA tot ‘mooiweermanager’

Politiek Den Haag degradeert VWA tot ‘mooiweermanager’


De Voedsel en Warenautoriteit (VWA) is te afhankelijk van verantwoordelijke
ministers om zelf autoriteit te kunnen opbouwen. In vredestijd mag de VWA
beleid maken, maar zodra een crisis ontstaat neemt de minister het roer
over. Dat maakt de VWA tot een ‘mooiweermanager’ en het ondermijnt haar
gezag, stelt een onderzoek van het Landbouweconomisch Instituut LEI. Ook dr
Kees de Gooijer, directeur van het Rikilt, ziet liever meer marktwerking in
het toezicht op voedselveiligheid.

In november 2000 zetten de ministers van volksgezondheid en landbouw de
Nederlandse Voedselautoriteit aanvankelijk breed op. Het moest een
organisatie worden die al het onderzoek, de controle en communicatie rond
voedselveiligheid zelf uitvoert, met enkele duizenden medewerkers. Nog geen
jaar later, in juli 2001, neemt het kabinet een totaal ander besluit. Wat
dan de Voorlopige Nederlandse Voedselautoriteit heet moet een bureautje van
enkele tientallen mensen worden, dat de zelfstandige toezichthouders moet
coördineren. Dat zijn vooral de Keuringsdienst van Waren (KvW) en de
Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV). De jongste bijstelling
is die van januari 2002. De voedselautoriteit mag toch gezaghebbend worden
en gaat een eenheid vormen met de KvW en RVV. Maar in tijden van
voedselcrisis blijft de minister van volksgezondheid of die van landbouw
direct verantwoordelijk. Coauteur van het rapport dr. Emiel Wubben van de
leerstoelgroep Bedrijfskunde legt uit dat deze formule het gezag van de VWA
ondermijnt. Het onderzoek past de theorie van de institutionele economie –
waarin relaties tussen organisaties centraal staan – toe op de verhoudingen
tussen de VWA, de overheid en uitvoerende toezichthouders. De VWA kan in
tijden van crisis zichzelf niet bewijzen, omdat de minister en daarmee de
politiek het heft in handen neemt, stelt het rapport. Daardoor twijfelt de
consument of voedsel wel veilig is en koopt wellicht niet. Dat twijfelen en
die onrust noemt Wubben ‘transactiekosten die voor de hele samenleving erg
hoog zijn.’ Wie vertrouwt, koopt sneller. En dat is beter voor de economie.
In de huidige plannen moet de VWA groeien naar een grotere organisatie die
de KvW en RVV volledig integreert, en die onder één minister valt, meest
waarschijnlijk onder de minister van volksgezondheid. Beter zou het zijn,
denkt Wubben, als de VWA een zelfstandige organisatie zou worden, die
opdrachten geeft aan een zelfstandige KvW en RVV. Maar dan zou er ook
marktwerking moeten komen. Ook zou de minister geen directe
verantwoordelijkheid meer moeten hebben. Het LEI-rapport vergelijkt de VWA
met de Europese Centrale Bank. Als de koers van de euro keldert, wordt Wim
Duisenberg aangesproken en niet de minister van Financiën. Ook bij een
voedselcrisis zou de VWA verantwoordelijk moeten zijn en niet een minister.
Dr. Kees de Gooijer, directeur van het Rikilt, een Wageningen UR-instituut
dat opdrachten voor de VWA uitvoert, kan zich wel vinden in die
vergelijking: ,,Waarom zou de minister elke keer ter verantwoording
geroepen worden of hij wel een kip op tijd heeft geruimd? De afstand van
Duisenberg tot de politiek schept rust en die heeft ook de VWA nodig.’’ Ook
meer marktwerking ziet De Gooijer beter zitten dan een grote VWA die alle
toezichthouders in zich heeft. ,,Die marktwerking kan het Rikilt wel
hebben.’’ |
J.T.

Re:ageer