Wetenschap - 1 januari 1970

Phytophthora lijkt op schimmel

Al jaren voeren plantenziektenkundigen een bittere strijd voor een status aparte van Phytophthora infestans. De veroorzaker van de gevreesde aardappelziekte is géén schimmel, stellen zij, maar een vertegenwoordiger van de oömyceten of waterschimmels, nauwer verwant aan algen. Een grootschalige genenanalyse wijst nu echter juist op een aantal opmerkelijke overeenkomsten tussen Phytophthora en schimmels.

‘Je moet het zien als vleermuizen en vogels’, legt dr. Francine Govers van de leerstoelgroep Fytopathologie uit. ‘Ze kunnen allebei vliegen en hebben vleugels. Ze lijken op elkaar, maar nauw verwant zijn ze niet. Dat Phytophthora qua ziekteverwekkende kenmerken zoveel lijkt op schimmels is een duidelijk voorbeeld van convergente evolutie. Ze zijn onafhankelijk van elkaar geëvolueerd, maar gebruiken deels hetzelfde wapenarsenaal om planten te infecteren.’
Govers is medeauteur van het artikel in het wetenschappelijk tijdschrift Molecular Plant-Microbe Interactions, waaraan wereldwijd tien onderzoeksgroepen hebben bijgedragen. De onderzoekers putten uit een verzameling van ruim 75.000 effectieve genen (‘EST’s’) die zijn geïsoleerd in het kader van een groot project dat werd gesponsord door multinational Syngenta en die sinds enige tijd openbaar beschikbaar is op internet. ‘EST’s of Expressed Sequence Tags zijn stukjes gekloneerd DNA’, vertelt Govers, ‘waarbij je als het ware de omgekeerde weg bewandelt. Je gebruikt boodschapper-RNA, dat normaal gesproken een tussenstap is in de vertaling van DNA in eiwitten, om DNA te reconstrueren. Je krijgt dan het DNA in handen van genen die ook echt tot expressie komen.’
Uit analyses van de EST’s blijkt dat de genen van de waterschimmel die maken dat Phytophthora aardappelplanten ziek kan maken, sterk lijken op die van echte schimmels. ‘Voor een deel is dat niet zo verwonderlijk, omdat het bijvoorbeeld gaat over genen die betrokken zijn bij celwandafbrekende activiteiten’, aldus Govers. ‘Die hebben alle ziekteverwekkers nu eenmaal nodig om een plant binnen te kunnen dringen.’ Opmerkelijker is de aanwezigheid van een gen om chitine te maken. ‘Wij vertellen studenten altijd dat schimmels chitine in de celwand hebben en oömyceten niet, maar zo simpel is het dus niet. Ze kunnen blijkbaar wel chitine maken, maar doen het niet of slechts in zeer geringe mate.’ / GvM

Re:ageer