Organisatie - 2 april 2009

PINGERS TEGEN BIJVANGST BRUINVISSEN: GEEN WONDERMIDDEL, MAAR ER ZIJN ALTERNATIEVEN

De laatste tijd neemt het aantal aangespoelde bruinvissen op de Nederlandse kust toe. Woordvoerders van Ecomare noemen de toepassing van zogeheten pingers op de netten als oplossing (Volkskrant 6 maart 2009). Deze kleine apparaatjes zenden voor bruinvissen onaangename tonen uit. Is hiermee simpel en doeltreffend bijvangst te voorkomen? Helaas, zo eenvoudig ligt het niet. Maar er zijn alternatieve manieren om vat te krijgen op de problematiek van zeezoogdieren als bijvangst.

Hoe voorkom je dat bruinvissen en andere zeezoogdieren verstrikt raken in visnetten? Vissers, beheerders en biologen in de landen aan de Noordzee worstelen al decennialang met deze vraag. In Nederland werd het probleem pas de laatste jaren actueel. Dat komt vooral doordat het aantal bruinvissen voor onze kust fors toenam. De afgelopen maanden spoelden meer dan honderd bruinvissen op het strand aan. De meeste vertoonden duidelijke sporen van menselijk handelen. Het ligt voor de hand dat de omgekomen dieren ongewenste bijvangst in de visserij waren.
Elk type visnet kan behalve vis namelijk onbedoeld ook andere dieren verstrikken: vogels, zeehonden, schildpadden, dolfijnen of bruinvissen. Enige bijvangst is nauwelijks uit te sluiten. Wie met een schepnet stekelbaarsjes wil vangen, krijgt ook wel eens een kikker in zijn net.
In Nederland en andere Noordzeelanden gebruiken vissers een reeks verschillende typen netten. Buitenlandse gegevens laten zien dat vooral zogeheten staande netten tot bijvangsten leiden. Dit zijn netten met mazen van dun nylondraad. Ze ‘staan’ op de bodem doordat ze onderaan verzwaard zijn met lood en drijvers hebben op de bovenlijn. Vissen worden gevangen doordat ze verstrikt raken. Onder de staande netten bestaat een grote variatie in maaswijdte, constructie en afmetingen, gericht op specifieke vissoorten.
Verreweg het meest gebruikte type ‘staand want’ in Nederland is gericht op tongvangst. De netten met betrekkelijk kleine mazen zijn ongeveer een meter hoog. Ze staan vanwege het kleine aantal drijvers gekruld op de bodem. De toepassing ligt in het zomerseizoen. Buitenlandse gegevens (Vinther 1999) wijzen er op dat dit type net betrekkelijk weinig bijvangst oplevert. Meer bijvangst lijkt voor te komen in staandwantnetten met grotere mazen voor de vangst van kabeljauw, tarbot en griet. Denemarken kent veel staandwantvissers. Het aantal bijgevangen bruinvissen daar werd het afgelopen decennium in de Noordzee geschat op ongeveer zesduizend per jaar (Vinther and Larsen 2004), vooral in grofmazige netten.
Visserij met een gesleept vistuig, zogeheten trawlvisserij, leidt in de Noordzee daarentegen zelden tot bijvangst. Het overgrote deel van de Nederlandse trawlvisserij maakt gebruik van de zogeheten boomkor. Dit type net met een opening van hooguit een meter sleept over de bodem. Meer dan een enkele bruinvis die vermoedelijk al dood was voordat hij in de boomkor terechtkwam levert dit als bijvangst niet op. Zelden gaat het om een exemplaar dat zo vers is, dat echte bijvangst niet is uit te sluiten.
Een klein deel van de Nederlandse visserij maakt gebruik van de bordentrawl en de pelagische trawl. In dit soort netten worden af en toe bruinvissen gevangen. Waarschijnlijk gaat het in de Nederlandse visserij om niet meer dan enkele (tientallen) exemplaren per jaar.

Onvoorspelbaarheid
Deze situatie leidt tot de vraag: in welke visserij, welke type net en welk seizoen biedt toepassing van pingers nu een oplossing in de Nederlandse visserij? De kans op bijvangst is relatief het grootst in de grofmazige staandwantvisserij. Maar ook bij deze vorm van visserij is een bijvangst voor een individuele visser waarschijnlijk een zeer zeldzame, moeilijk voorspelbare gebeurtenis. De schaarse beschikbare gegevens wijzen op het sterk geclusterd voorkomen van bijvangsten. Een gemiddelde visser zal maanden of zelfs jaren geen bruinvissen bijvangen en dan in één keer een heel aantal. De kans is groot dat het een patroon betreft, waarbij collega-vissers in de buurt tegelijk bijvangsten hebben. Maar de individuele visser zal vermoedelijk aan een incident denken.
Het is goed denkbaar dat dit de momenten zijn waarop veel bruinvissen met kenmerken van bijvangst aanspoelen op het strand. Tijdens zo’n piek zou het gebruik van pingers positief kunnen uitpakken. Voorwaarde is dan wel dat de vissers weten dat het geen incident betreft, maar een periode van verhoogde kans op bijvangsten.
Dergelijke pieken in bijvangsten zijn moeilijk te voorspellen. Van 2004 tot en met 2007 was er in maart een piek waarneembaar, maar in 2008 was deze piek nauwelijks te onderscheiden. Ook in het aantal geregistreerde strandingen vóór 2004 is geen piek in maart te ontdekken. Het jaarlijks aantal strandingen was destijds veel lager dan de laatste jaren. Het aantal vanaf de kust waargenomen bruinvissen was voor 2004 eveneens veel lager.
De stukgesneden - en dus waarschijnlijk bijgevangen - dieren van afgelopen winter passen niet in een patroon en waren dus ook voor vissers waarschijnlijk onvoorspelbaar. Het is vanwege het ontbreken van een duidelijk patroon op dit moment onduidelijk of zich de komende maanden of jaren veel of weinig bijvangsten zullen voordoen (Couperus et al. in voorbereiding). Dat maakt het veel gevraagd om vissers standaard bevestiging van pingers op hun netten voor te schrijven. Het draagvlak voor verplichtstelling zal dan ook laag zijn.

Kosten, onderhoud en controle
Aanschaf en onderhoud van pingers betekenen voor vissers een flinke investering. De apparaatjes zelf kosten ongeveer 200 euro per stuk. Een staandwantvisser zet – afhankelijk van het type net – vijf tot tien kilometer net uit. Op staande netten moeten pingers om de 200 tot 500 meter geplaatst worden om effect te hebben. Regelmatig zullen er pingers verloren gaan doordat netten overvaren worden, bijvoorbeeld één per twee weken. De meestgebruikte pingers hebben een onvervangbare batterij, wat om de twee jaar de aanschaf van nieuwe pingers nodig maakt. De oplaadbare batterijen van andere typen zijn ook regelmatig aan vernieuwing toe. Verder zijn pingers soms mechanisch zwak en slaan ze stuk tegen de scheepsromp of op de opvoerband tijdens.
Als we deze gegevens in een rekenvoorbeeld onderbrengen, geeft dat het volgende beeld. Een kabeljauwvisser zet vijf kilometer net op een dag uit en heeft daarvoor ongeveer 15 pingers nodig, ter waarde van 3.000 euro. Met een levensduur van twee jaar betekent dit een kostenpost van gemiddeld 1.500 euro per jaar. Vervanging van één pinger per twee weken betekent voor een visser die jaarrond vist een bijkomende kostenpost van 5.200 euro per jaar voor 26 pingers. Dit brengt het totaal op een kleine 7.000 euro per jaar; een flink bedrag voor deze zeer kleinschalige vorm van visserij.
In een normale praktijk zonder bruinvis als bijvangst bestaat het risico van gebrekkig onderhoud aan de apparaatjes. In het ‘Take reduction plan’ in de Gulf of Maine (VS) werd vastgesteld dat netten waarvan sommige pingers niet functioneren, meer bijvangsten hebben dan netten zonder pingers (Palka 2007). Dit komt waarschijnlijk doordat een kapot exemplaar temidden van een reeks werkende pingers een veilige doorgang suggereert voor de bruinvis. Bij verplichte toepassing komt bovenop aanschaf en onderhoud voor de visser nog de handhaving door de overheid. Ervaringen uit de VS, Groot-Brittannië en Denemarken met de verplichte en vrijwillige introductie van pingers , maken duidelijk dat ze in de praktijk nauwelijks gebruikt worden. Dit komt door de combinatie van onderhouds- en controleproblemen met de geringe kans op bijvangst van bruinvis.
Alleen wanneer vissers nauw samenwerken met onderzoekers om de bijvangst en het effect van pingers te bestuderen, vindt de inzet van pingers volgens plan plaats. De rapporten en wetenschappelijke artikelen die uit dergelijke projecten voortkomen laten dan ook zien dat pingers werken. Over de moeizame praktijkintroductie verschijnen daarentegen nauwelijks rapporten. Het beschouwen van pingers als de enige oplossing voor het bijvangstprobleem brengt het risico van schijnzekerheid met zich mee.

Milieu
De inzet van pingers is daarnaast niet zonder risico’s voor het mariene milieu in de vorm van chemische vervuiling en geluidsoverlast. Pingers gaan regelmatig verloren op zee. Elke pinger heeft een batterij in zich. Dit betekent een belasting voor het mariene milieu met schadelijke stoffen die in de loop van decennia weglekken maar waarvoor oplossingen goed denkbaar zijn.
Daarnaast is het de vraag of het verantwoord is om op grote schaal geluid te produceren dat aantoonbaar heel onaangenaam is voor de dieren. Op plaatsen met veel staande netten zouden grote aaneengesloten gebieden onleefbaar kunnen worden voor bruinvissen. Logischerwijs zal dit juist gebeuren op plaatsen waar veel bruinvissen voorkomen. Dit betekent niets anders dan het verjagen van bruinvissen uit hun natuurlijke habitat. Binnen enkele kilometers van de Nederlandse kust staan in totaal enkele tientallen tot honderden kilometers staand want. Hoeveel het is, hangt af van het weer en het seizoen. Hoe verhoudt dit zich tot de zorgen van sommige onderzoekers over geluidsvervuiling door de scheepvaart en (de aanleg) van windmolenparken?

Gewenning
De Nederlandse kust is één van de drukst bevaren gebieden ter wereld. Het mag een wonder heten dat hier de laatste jaren zoveel bruinvissen voorkomen, want de scheepvaart moet voor de dieren een hels kabaal onder water opleveren. Daarnaast is de vraag of het geluid van de huidige beschikbare pingers in drukbevaren kustroutes, waarin ook windparken een toenemende bijdrage aan onderwatergeluid leveren, wel sterk genoeg is. Dit zou de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de dieren kennelijk niet zoveel last (meer) hebben van het scheepvaartgeluid. Mocht dit zo zijn, dan veroorzaakt de toevoeging van pingers meer overlast dan het ‘achtergrondgeluid’ van de scheepvaart. Het is de vraag of dit een wenselijke ontwikkeling is.
Maar mogelijk zijn bruinvissen gewoon gewend geraakt aan scheepvaartgeluiden en zullen ze op den duur ook gewend raken aan het geluid van pingers. Er is weinig bekend over gewenning op langere termijn van bruinvissen aan pinger-geluiden. Opvallend is dat buitenlands onderzoek naar het gedrag van bruinvissen het ene jaar een ander gedrag beschrijft dan het daaropvolgende jaar. Dit zou op gewenning kunnen wijzen, maar dat hoeft niet. Het is ook mogelijk dat de onderzoekers zonder het te weten het ene jaar een andere groep bestuderen dan het andere jaar. In dat geval zou de mate waarin de dieren worden afgeschrikt berusten op de reactie van individuele dieren of de groep die toevallig bestudeerd wordt.

Dinner bell effect
Een stap verder dan gewenning gaat het verschijnsel dat dieren juist worden aangetrokken door het geluid. Dieren gaan het geluid associëren met de aanwezigheid van gemakkelijk verkrijgbare vis: het ‘dinner bell effect’. De eerste pingers uit de jaren negentig bleken zeehonden aan te trekken die zich tegoed deden aan de vis in netten. De nieuwe generatie pingers maakt gebruik van ultrasone geluiden die waarschijnlijk niet waarneembaar zijn voor zeehonden. Maar er is nog te weinig onderzoek gedaan om uit te sluiten dat dit effect een rol gaat spelen bij het gebruik van pingers.

Bijvangst accepteren of voorkomen?
Er kleven al met al veel bezwaren aan toepassing van pingers ter voorkoming van bijvangst van bruinvissen in de Noordzee. Helaas is het hiervoor op dit moment de enige beschikbare technologie. Pingers zouden misschien gericht, namelijk lokaal en in een bepaalde periode, hun nut kunnen bewijzen. Een andere manier om bijvangsten te voorkomen is aanpassing of beperking van de visserij met bepaalde nettypen in bepaalde gebieden en seizoenen. In zo’n benadering op maat kan het gebruik van pingers passen. Zo valt te denken aan al dan niet verplichte toepassing in een gebied met veel bruinvissen of op een moment waarop recent veel bijvangsten zijn voorgekomen. Een panacee is dit niet, want de onvoorspelbaarheid van bijvangsten vormt een onlosmakelijk onderdeel van het probleem. Selectieve inzet van pingers zal dan altijd pas aan de orde komen na de eerste bijvangst(en).
Moeten we de bijvangst van deze soort dan maar accepteren? Of zijn er andere manieren denkbaar om het te voorkomen? Om die vraag goed te kunnen beantwoorden is er meer kennis nodig over bruinvissen en bijvangst daarvan in Nederlandse wateren. Zulk onderzoek naar verspreiding en bijvangsten vindt tot nu toe slechts sporadisch plaats. Dit jaar is er voor het eerst onderzoek gedaan met 48 dagen lang een onafhankelijk waarnemer aan boord van enkele boten van staandwantvissers.
Blijven vissen leidt onvermijdelijk tot een geringe hoeveelheid bijvangst. Hoe groot mag die bijvangst zijn zonder dat de populatie in gevaar komt? Voor walvisachtigen geldt als leidraad dat er niet meer dan 1% van de populatie mag worden bijgevangen. De nu bekende getallen wijzen op een ruime overschrijding van dit percentage (zie inzet).
De overheid zou vanuit de verplichtingen voortvloeiend uit internationale verdragen onderzoek moeten initiëren. Zo kan ze meer te weten komen over de bijvangst van bruinvissen. Een belangrijk rol bij het terugdringen van bijvangsten is weggelegd voor vissers die wel eens een bruinvis in het net hebben. De Nederlandse of buitenlandse vissers die de afgelopen maanden bruinvissen uit hun netten in stukken sneden, leveren bepaald geen positieve bijdrage aan de oplossing van het probleem. Ze zouden elke bruinvis die per ongeluk wordt bijgevangen, moeten aanlanden voor onderzoek met vermelding van datum, vangstpositie en gebruikt vistuig. Alleen meer inzicht in plaats, tijd en omstandigheden waaronder bijvangsten voorkomen, kan leiden tot een gerichte zoektocht naar de juiste preventieve maatregelen. Hierin zouden ook pingers een rol kunnen spelen. / Bram Couperus, onderzoeker bij Wageningen Imares

Referenties
Couperus, A.S., Aarts, G., Giels, J.v., Haan, D.d., and Keeken, O.v. in preparation. Onderzoek naar bijvangst bruinvissen in de Nederlandse visserij. In rapport Wageningen IMARES/Aquaterra-Kuiperburger.

Palka, D.L. 2007. Effect of Pingers on Harbor Porpoise and Seal Bycatch., Northeast Fisheries Science Center, Philadelphia.

Vinther, M. 1999. Bycatches of harbour porpoises (Phocoena phocoena L.) in Danish set-net fisheries. Journal of Cetacean Research and Management 1 (2): 123-135.

Vinther, M., and Larsen, F. 2004. Updated estimates of harbour porpoise (Phocoena phocoena) bycatch in the Danish North Sea bottom-set gillnet fishery. Journal of Cetacean Research and Management 6 (1): 19-24.

Zie ook de rubriek In ’t Nieuws: ‘Verkeerde aanpak bruinvisprobleem’

Re:ageer