Wetenschap - 8 september 2010

'Otter mag geen tweede keer uitsterven'

De herintroductie van de otter in het Nederlandse landschap lijkt een succes, maar inteelt en hoge sterftecijfers bedreigen de populatie.

Een visetende otter
De 31 otters die in 2002 in de weerribben zijn uitgezet hebben het goed gedaan, vindt Hugh Jansman,  dierecoloog bij kennisinstituut Alterra. Ze hebben zeventig tot negentig jongen geproduceerd en worden bovendien steeds vaker buiten de ­weerribben gesignaleerd. 'Otters zijn zwervers en ondanks de talloze barrières komen ze toch overal', zegt hij. 'Dat illustreert de veerkracht en het opportunisme van de soort.'
Jansman pleit in een deze zomer verschenen rapport voor nieuwe otterpopulaties, naast de kleine bestaande bronpopulatie in natuurpark Wieden-Weerribben. Dit vergroot de kans dat dit roofdier blijvend op de Nederlandse faunakaart mag worden bijgeschreven, nadat de soort in 1988 officieel was uitgestorven.
Inteelt
Toch is er reden tot zorg. In 2007-2008 groeide de populatie nog spectaculair, om een jaar later fors in te zakken. Deze winter nam het aantal dieren zelfs af, zegt Jansman. De strenge winter speelt daarbij mogelijk een rol, maar Jansman meent dat ook de gevolgen van inteelt zichtbaar worden. 'Enkele zeer dominante mannetjes hebben alle vrouwtjes bevrucht. Die nakomelingen paren weer met elkaar, waardoor de genetische variatie met de helft is afgenomen.'
De komende jaren hoopt de ecoloog meer inzicht te krijgen in de gevolgen van inteelt. Het toevoegen van vers genetisch materiaal van nieuw uitgezette dieren is volgens de onderzoeker noodzakelijk. Hij pleit dan ook voor het op kleine schaal bijplaatsen van nieuwe otters, onder meer in de Gelderse Poort, waar plaats is voor een degelijke populatie, het Vechtplassengebied en eventueel op termijn in het rivierengebied van Midden-Limburg.
Verkeerssterfte
Naast inteelt is ook het hoge sterftecijfer  een probleem. Het drukke Nederlandse verkeer is een ernstige bedreiging voor het voortbestaan van de otter. Het dier heeft niet terug van een ton staal dat met honderd kilometer per uur op 'stil asfalt' bijna fluisterzacht komt aanzoeven. Verkeer is dan ook doodsoorzaak nummer één. 'Zo'n 80 procent van de ottersterfte kan direct op het conto van het verkeer worden geschreven', schat Jansman. Nog eens 15 procent komt volgens hem aan een voortijdig einde doordat de dieren een fuik inzwemmen en verdrinken.
De ecoloog ziet ook oplossingen voor deze bedreigingen. Zo is de verkeerssterfte volgens hem relatief eenvoudig terug te dringen. 'We kennen de belangrijkste migratieroutes van de otters. Waar zo'n route een drukke weg kruist, kun je gericht maatregelen nemen', stelt Jansman. 'Het verlagen van de maximumsnelheid van 80 naar 60 kilometer per uur zal de verkeerssterfte al spectaculair doen afnemen. Daarnaast kun je denken aan plaatselijk ribbels in het asfalt, zodat naderende auto's goed hoorbaar zijn'. Verdere vermindering van de ottersterfte kun je volgens de onderzoeker bereiken door de fuiken aan te passen, zodat otters er niet meer in kunnen zwemmen. 
Gidsland
Naast bijplaatsingen van nieuwe dieren en maatregelen om de sterfte terug te dringen, pleit Jansman ook voor een structurele verbetering van de leefomgeving van de otter. Dat hoeft geen kapitalen te kosten. 'De otter heeft niet veel nodig. Je moet dan denken aan een stukje struikgewas, of "ruigte" langs waterwegen, die de otter als dagrustplaats kan gebruiken.  Daarnaast zou er elke 5 à 10 kilometer een groter stuk natuur moeten zijn, waar de dieren zich kunnen voortplanten.'
Visetende waterrat
De Europese otter (Lutra lutra) komt in het overgrote deel van Europa en Azië voor. Hij leeft in zowel zoet water als langs (rotsachtige) kusten. Met zijn maximaal 13 kilo en bijna anderhalve meter lengte is de otter iets lichter, maar wel langer dan de das. Een gestroomlijnd lichaam, tenen met zwemvliezen, afsluitbare oren en een waterdichte vacht maken van deze viseter een echte waterrat.
Ondanks alle problemen en knelpunten is Jansman optimistisch over de kansen van de otter. 'Ik ben ervan overtuigd dat over twintig jaar de otter weer een groot deel van zijn oorspronkelijke verspreidingsgebied in Nederland kan bezetten', stelt hij. 'Maar we zitten nu wel in een kritieke fase. We moeten oppassen dat de otter door genetische verarming niet voor de tweede keer uitsterft.'
Dat vereist volgens hem wel de nodige financiële middelen, bijvoorbeeld om de populatie te monitoren. Op dit moment zijn die middelen er niet. Dat is jammer, vindt Jansman 'Een project als dit levert veel unieke kennis op die ook elders inzetbaar is. De problemen die China heeft bij de bescherming van de panda en tijger zijn niet wezenlijk anders dan waar wij bij de bescherming van de otter mee te maken krijgen: versnippering van het leefgebied en inteelt. Nederland kan zich met het otteronderzoek profileren als gidsland als het gaat om de instandhouding van duurzame populaties in een sterk door mensen gedomineerde omgeving.' 
Niet te zien, toch te volgen
Otters zijn moeilijk te zien, maar dankzij de moderne techniek komen Jansman en zijn collega's toch heel veel te weten over de Nederlandse otters. In de uitwerpselen van otters zit namelijk een paar procent darmwandcellen. Die bevatten DNA en dit kun je er met wat technische hoogstandjes uit halen en analyseren. Omdat elk dier een uniek DNA-profiel heeft kunnen de onderzoekers niet alleen individuele dieren herkennen, maar ook een ouderschapsanalyse uitvoeren en de genetische variatie van de po-
pulatie monitoren. Zonder ooit een otter te zien, kun je zo toch heel veel over de dieren te weten komen. De Nederlandse uitzetpopulatie is dan ook de best onderzochte otterpopulatie van Europa.

Re:ageer