Wetenschap - 1 januari 1970

Opinie/ Biolandbouw succes in Afrika

Met hun artikel 'Verbeter vooral de gangbare landbouw. Voedselvoorziening noch milieu gebaat bij biologische landen' in NRC (19 april) trokken Louise Fresco, Joost van Kasteren en Rudy Rabbinge weer eens ouderwets van leer tegen de biologische landbouw. Zij hanteren weinig nieuwe argumenten. Het enige nieuwe dat zij noemen is dat de Verenigde Naties in de Millennium Ecosystems Assessment waarschuwen dat een ‘fatale ineenstorting van natuurlijke ecosystemen' nabij is (NRC Handelsblad, 30 maart).

Naar ons idee heeft de Groene Revolutie, waarbij met behulp van nieuwe gewassen, kunstmest en bestrijdingsmiddelen de voedselproductie vooral in ontwikkelingslanden is verhoogd, ook een steen bijgedragen aan het grondig verstoren van ecosystemen en zal de gentech-landbouw deze fatale ineenstorting ook niet remmen. Het is ons daarom een raadsel wat er nog meer moet gebeuren om gangbare wetenschappers als Rudy Rabbinge en Louise Fresco wat milder, of liever, wat enthousiaster te stemmen over de mogelijkheden van biologische landbouw, vooral in Afrika.
Honger is volgens veel deskundigen niet zozeer een probleem van onvoldoende productie maar veel meer een probleem van armoede, machtsverhoudingen, bovenmaatse leefstijl in het Westen en politieke onwil. Willen we de honger de wereld uit hebben, dan is een geïntegreerde aanpak nodig en niet alleen technisch onderzoek naar hogere productie.
De vraag of de wereldbevolking adequaat kan worden gevoed, is met biologische landbouw die kunstmest, synthetische bestrijdingsmiddelen en gentechnieken afwijst, in feite een puur theoretische vraag. Wetenschappelijk gezien is het misschien wel een interessante vraag, maar voor de dagelijkse praktijk van de Afrikaanse boer(in) niet relevant. Het gaat de Afrikaan om de vraag of hij/zij voldoende voedsel kan verbouwen voor het gezin, genoeg geld kan verdienen voor de dagelijkse benodigdheden, de bodem vruchtbaar kan houden, het ecosysteem niet degradeert en dat zonder ruzie te krijgen met de buren of met andere volkeren over het gebruik van natuurlijke hulpbronnen.
Het niet nodig hebben van geïmporteerde kunstmest, synthetische bestrijdingsmiddelen en gentech-zaad is een enorme financiële ontlasting voor het gezin en voor de overheid. Om de honger de wereld uit te krijgen, zijn er namelijk voldoende toepasbare en effectieve biologische alternatieven voorhanden die meer potentie hebben dan bijvoorbeeld gentech-gewassen.
Voorlopig levert biologische landbouw in Afrika soms meer en vooral ook een meer constante opbrengst op dan gangbare landbouw. In Afrika kennen we zelfs voorbeelden van boeren die langzaamaan beginnen te experimenteren met een beetje kunstmest op de compost en daardoor nemen de opbrengsten aan maïs en sorghum nog meer toe. Een Afrikaanse boer(in) heeft nu eenmaal weinig last van wetenschappelijk dogma's en experimenteert!
De loopgravendiscussie die de schrijvers van het artikel op de Opiniepagina herhalen, trekt de wetenschappelijke aandacht weg van de biologische initiatieven die in Afrika zijn ontplooid. Uit die initiatieven blijkt dat biologische landbouw juist zeer veel potentie bezit, die voor een belangrijk deel in de praktijk al is bewezen, terwijl gangbare wetenschappers nog bezig zijn met een theoretisch achterhoedegevecht.
Wij adviseren Fresco, Rabbinge en Van Kasteren om eens te gaan kijken bij biologische landbouwprojecten in Afrika en pas dan een oordeel te vellen. Het zou niet de eerste keer zijn in de geschiedenis van de ontwikkeling in de landbouw dat de wetenschap wordt ingehaald door de praktijk. Afrikaanse, en ook Nederlandse, boeren zijn meer gebaat bij open en nieuwsgierige landbouwwetenschappers die graag iets willen leren van de praktijk. En dat niet alleen van de landbouwpraktijk maar ook van de sociale, culturele en politieke omstandigheden.
Een tweede argument in het artikel is dat ‘de belangrijkste flessenhals in de biologische landbouw het op peil houden is van de bodemvruchtbaarheid' en dat lukt volgens de schrijvers niet met traditionele manieren zoals met compost, dierlijke mest en groenbemesters, omdat daarvoor te veel grond nodig zou zijn en die is er niet is.
Dit kan niet in zijn algemeenheid worden gesteld. Er zijn voldoende gebieden in Afrika waar nog grond beschikbaar is. Vaak is het probleem niet het tekort aan grond, maar veel meer het niet toegankelijk zijn van gronden omdat die beheerd worden door mensen of (overheids)instanties die er geen belang bij hebben dat hun grond gebruikt wordt voor landbouw. Hier spelen traditionele cultuur en politiek een grote rol.
Een ander punt is dat juist gronden die door de kunstmestlandbouw uitgeboerd zijn, alleen nog met biologische methoden, zoals de zaï-techniek in de Sahel of de pothole-techniek in Zambia, weer voedsel kunnen gaan produceren. Bij deze technieken worden kuiltjes gegraven waarin compost wordt gedaan. In elk kuiltje groeien een aantal maïs- of sorghumplanten. Zo wordt dan voedsel geproduceerd en tegelijkertijd rehabiliteert de bodemvruchtbaarheid. Met gangbare technieken is dat onmogelijk. Het op peil houden van de bodemvruchtbaarheid is trouwens voor de gangbare landbouw een even grote, zo niet nog grotere, flessenhals.
Een derde argument is dat ‘biologische landbouw niet per definitie beter voor natuur en milieu is dan gangbare landbouw'. De schrijvers hebben gelijk als zij stellen dat ‘elk landbouwsysteem, hoe extensief ook, ecosystemen verstoort'. Hier raken ze de ecologische kern van de zaak. De uitdaging waar Afrikaanse boeren mee worstelen, is het ontwerpen van een landbouwsysteem dat het ecosysteem niet verstoort. Dat zou ook de uitdaging moeten zijn voor landbouwwetenschappers.
Dit klinkt theoretisch. Maar juist weer de praktijk laat zien dat bij bio-landbouwmethoden juist de samenwerking wordt gezocht met natuurlijke ecosystemen. Door kleinschalige biologische productie is in Nederland ontdekt dat akkerranden dienen als broed-en schuilplaatsen voor natuurlijke vijanden. Ook Afrikaanse boeren weten heel goed dat er elkaar stimulerende organismen zijn die je kan gebruiken om voedsel te produceren. Vlinderbloemigen binden stikstof. Yams groeien nu eenmaal beter als de klimstok van een bepaalde inheemse boom komt en zij weten dat graan onder de witte acacia meer opbrengt, omdat die zijn blad juist verliest in de regentijd en daardoor de grond vruchtbaar houdt. Wij zouden graag wetenschappers zien die dit soort symbioses inventariseren, bestuderen en toepassen in moderne, ecologisch verantwoorde landbouwmethoden.
De gentech-landbouw vraagt dat je het ecosysteem aanpast aan het gen-gewas. Anders krijg je geen hoge opbrengst. Heeft al dat aanpassen van ecosystemen niet die fatale ineenstortingen van natuurlijke ecosystemen veroorzaakt? Waarom gaat u er dan toch mee door?
Een laatste argument is het verwijt dat ,,de biologische landbouw ook bestrijdingsmiddelen gebruikt zoals kopersulfaat en zeep''. Dat klopt. Maar als een pacifist één keer een klap uitdeelt, is hij toch ook niet direct een militarist die een gevaar is voor de wereldvrede? Zo is een biologische boer die een keer kopersulfaat of een beetje kunstmest gebruikt toch ook niet direct een gevaar voor de duurzame voedselvoorziening van Afrika? Wij vinden dat de schrijvers hier de zaak te dogmatisch voorstellen.
Het wordt tijd voor een verstandige discussie die niet alleen moet gaan over productietechnieken, maar ook over sociale en politieke ontwikkelingen.

Kees van Veluw en Boudewijn van Elzakker, Agro Eco, adviesbureau voor biologische landbouw te Bennekom

Re:ageer