Organisatie - 3 april 2008

Open access ondergraaft macht van uitgevers

Terwijl veel universiteiten en onderzoeksinstituten moeite hebben om de eindjes aan elkaar te knopen, maken wetenschappelijke uitgeverijen woekerwinsten. Dankzij de goedkope arbeid van talloze wetenschappers, en de grif betalende universiteiten en onderzoeksinstituten. Het verzet tegen de wurggreep van de uitgeverijen heet open access.

achtergrond_0_126.jpg
achtergrond_0_126.jpg

Foto: Henk van Ruitenbeek

De winst van een gemiddeld wetenschappelijk tijdschrift overtreft die van een succesvol dagblad met een factor drie. Van elke euro die een wetenschappelijk tijdschrift binnenhaalt is veertig cent winst. ‘Die winsten komen uit de zak van publieke instellingen als Wageningen UR’, zegt ir. Ger Spikman, afdelingshoofd bij de Wageningse bibliotheek. ‘Dat is wrang, als je beseft hoe die tijdschriften tot stand komen. Ze zijn grotendeels het werk van onderzoekers binnen diezelfde publieke instellingen, die verslag doen van met publiek geld betaalde onderzoeksprojecten. De tijdschriften worden samengesteld door editors, die ook overwegend binnen diezelfde publieke instellingen werkzaam zijn. Vervolgens mogen de publieke instellingen pas profiteren van dat werk als ze een flinke som geld hebben betaald.’
Onderzoekers merken misschien niet hoe groot de macht van de uitgeverijen is. ‘Wageningen UR biedt zijn medewerkers toegang tot een uitgebreide elektronische bibliotheek’, zegt Spikman. ‘Ze kunnen daar zonder een centje pijn in, zonder dat ze zich realiseren hoeveel geld het kost. We geven daar jaarlijks enkele miljoenen aan uit, en het bedrag stijgt gestaag.’
Wereldwijd merken onderzoekers steeds vaker dat ze geen toegang meer hebben tot wetenschappelijke literatuur. Terwijl het totale aanbod blijft toenemen, zijn instellingen steeds vaker genoodzaakt om abonnementen te schrappen, of delen van hun elektronische bibliotheek te sluiten.
Uitgeverijen zijn monopolisten. Concerns als Elsevier en Springer zijn door fusies en overnames uitgegroeid tot reuzen met duizenden tijdschriften. Een abonnement op een tijdschrift inclusief toegang tot het elektronisch archief is bovendien alleen via de uitgever te verkrijgen. Er is geen alternatief – vandaar de monsterwinsten.

Auteursrecht
Als klap op de vuurpijl komen onderzoekers soms in aanvaring met uitgevers omdat ze hun eigen werk niet kunnen gebruiken, weet dr. Leo Waaijers, oud-bibliothecaris van de universiteiten in Delft en Wageningen en thans actief als mediagoeroe. ‘Vaak vragen uitgevers van auteurs dat ze het auteursrecht van hun artikelen overdragen. Dat houdt in dat de onderzoekers hun eigen materiaal niet zomaar in een reader mogen stoppen, of op hun website mogen zetten. Als ze zich aan de regels willen houden, moeten ze daarvoor toestemming vragen. De uitgeverijen geven die lang niet altijd.’
Alleen gerenommeerde onderzoekers ontsnappen de dans. ‘Als een onderzoeker wil weten hoe hij in de markt ligt, moet hij weigeren het auteursrecht over te dragen’, zegt Waaijers. ‘Als de bladen hem dan nog steeds willen hebben, dan hoeft hij zich over zijn populariteit vooralsnog geen zorgen te maken.’
Het antwoord op de macht van de uitgeversconcerns heet open access (OA): wetenschappelijke tijdschriften die voor iedereen via internet vrij toegankelijk zijn. Volgens schattingen verschijnt binnen de life sciences nu al ongeveer dertig procent van de publicaties in OA-tijdschriften. ‘Eigenlijk zou elke universiteit ernaar moeten streven om zoveel mogelijk te publiceren in open access’, vindt drs. Hubert Krekels, binnen de Wageningse bibliotheek verantwoordelijk voor Wageningen Yield, een open internetbibliotheek met Wageningse wetenschappelijke publicaties. Het gros van die documenten valt in de categorie onderzoeksrapporten. Iets meer dan een kwart van de Wageningse wetenschappelijke productie verschijnt in de gerefereerde tijdschriften. De rest is ‘grijs’, en bestaat bijvoorbeeld uit rapporten of congresbijdragen.
Onderzoeksinstellingen met een krap budget, zoals die in de Derde Wereld, zijn waarschijnlijk afhankelijk van wat ze via het web aan dergelijk materiaal kunnen verzamelen, vreest Spikman. ‘Op het web staat rijp en groen bovendien door elkaar. Je moet zelf maar beoordelen wat de kwaliteit van het aanbod is. Maar ook als je het kaf van het koren scheidt, dan zal het je nog niet lukken om op internet een collectie met kwaliteit op te bouwen. Je hebt de traditionele tijdschriften nog steeds hard nodig.’
Op de langere termijn wordt dat misschien anders. Als onderzoekers steeds vaker in OA-bladen gaan publiceren, dan neemt het aanbod zowel kwalitatief als kwantitatief toe. ‘Een factor die het huidige systeem in stand houdt is de glans van de prestigieuze tijdschriften’, zegt Spikman. ‘Onderzoekers willen niets liever dan publiceren in bladen met een hoge impactfactor als Science, Nature of PNAS. Gelukkig zijn er ook steeds meer OA-tijdschriften met een hoge impactfactor. Uiteindelijk zullen de onderzoekers zelf de situatie moeten veranderen door hun keuze voor een tijdschrift waarin ze publiceren.’

Organisch proces
Prof. Ton Bisseling van de leerstoelgroep Moleculaire biologie is lid van één van de editorial boards van het hoogst aangeschreven tijdschrift dat onze planeet kent: Science. ‘Wekelijks krijg ik een stuk of drie artikelen binnen’, zegt Bisseling. ‘Ik lees ze en zoek referenten uit. Allemaal in mijn eigen tijd; betaald krijg ik er niet voor. Al heb ik wel een gratis abonnement op Science. Ik vind het nuttig en leuk om te doen. Zo blijf ik goed op de hoogte.’
Ondanks zijn prestigieuze functie is Bisseling een voorstander van open access. ‘Als je erover nadenkt is het gangbare systeem van grote uitgeverijen en dure lidmaatschappen natuurlijk raar. Maar goed, het functioneert, met al zijn nadelen. Ik vraag me af of die traditionele tijdschriften uiteindelijk zullen verdwijnen, of dat er uiteindelijke twee volwaardige systemen naast elkaar zullen bestaan.’
In steeds meer tijdschriften, vooral die van het Springer-concern, zie je die twee systemen trouwens al naast elkaar. Die bladen geven auteurs de keuze: publiceren onder de klassieke voorwaarden of die van open access. Een andere mengvorm is dat bladen al hun publicaties die ouder zijn dan een jaar vrij toegankelijk maken, en dat alleen betalende leden toegang hebben tot de meer recente artikelen.
‘De opkomst van open access moet een organisch proces zijn’, vervolgt Bisseling. ‘We moeten niet van bovenaf opgelegd gaan krijgen dat we alleen nog in OA-tijdschriften mogen publiceren. Alsjeblieft niet, zeg. Als het systeem van open access werkelijk beter is, dan zullen onderzoekers zelf de voordelen ervan ontdekken.’
Eén van die voordelen is het grotere bereik. Tijdschriften die van een traditioneel tijdschrift zijn veranderd in een OA-tijdschrift melden dat het aantal downloads van artikelen door die ommezwaai met een factor tien toeneemt. Dat spoort met de ervaringen van dr. Sander Kersten van de afdeling Humane voeding. In 2004 publiceerde hij een artikel over de regulering van de aanmaak van glucose via de vetreceptor PPAR in de open Journal of Clinical Investigation.
‘Een jaar nadat het artikel was verschenen kreeg ik vier uitnodigingen om presentaties te houden’, zegt Kersten. ‘Dat was ongewoon veel. Of dat komt omdat we in open access-tijdschrift stonden weet ik natuurlijk niet zeker. Misschien was het gewoon een goed stuk.’
Nadeel van het publiceren in een open periodiek was dat Kersten zelf moest bijdragen aan de kosten. ‘Ik heb er 1700 euro voor moeten betalen, als ik het me goed herinner. Maar dat had ik ervoor over.’

Aflopende zaak
Bijna alle open toegankelijke tijdschriften vragen van auteurs een vergoeding voor de gemaakte kosten. Die kan oplopen tot tweeduizend euro per publicatie. ‘De bedragen worden hoger naarmate de tijdschriften belangrijker worden en dus meer energie moeten steken in het afwijzen van artikelen’, zegt bibliotheekman Krekels. ‘Op dit moment betaalt de bibliotheek die kosten voor de auteurs. Er is een fonds voor, maar we voorzien dat we daarmee in de problemen gaan komen. Binnen Wageningen neemt het publiceren in OA-bladen nu zo’n hoge vlucht dat het bedrag dat we voor 2008 hadden gereserveerd al bijna opgesoupeerd is. Het jaar is nu pas drie maanden oud, en we hebben al veertigduizend euro aan OA uitgegeven. We zitten eerlijk gezegd met onze handen in het haar.’
Overigens is het aantal Wageningse publicaties in OA-tijdschriften nog beperkt. Elsevierbladen zijn nog steeds het populairst: dertig procent van alle artikelen die Wageningers publiceren verschijnt in tijdschriften van Elsevier.
Als het aan Waaijers ligt is dat een aflopende zaak. ‘Wat tijdschriften toevoegen aan een artikel dat onderzoekers schrijven is de beoordeling’, zegt hij. ‘Ze weren slechte stukken en vragen onderzoekers of ze zwakke plekken in hun artikelen willen wegwerken. Universiteiten zouden dat ook zelf voor hun rekening kunnen nemen. Ze kunnen zelf externe referenten uitzoeken, en die de publicaties van hun onderzoekers laten beoordelen. Vervolgens kunnen de universiteiten de goedgekeurde artikelen op hun website publiceren. Toegankelijk voor iedereen.’

Re:ageer