Organisatie - 1 januari 1970

Opbloei Wetenschapswinkel

De decentralisatie van de Wetenschapswinkel blijkt een succes. De Wetenschapswinkel krijgt twee keer zoveel onderzoeksvragen en produceert ook aanzienlijk meer rapporten, zo blijkt uit het net gepubliceerde jaarplan.

De opbloei van de Wetenschapswinkel, het loket dat bemiddelt bij onderzoeksvragen van minder draagkrachtige maatschappelijke organisaties, heeft ook de enig overgebleven centrale winkelier ir Gerard Straver verrast. ‘We waren heel huiverig of het terugbrengen van de centrale formatie niet het einde zou betekenen. Ik denk dat we nu moeten erkennen dat de formule van de decentrale projectbegeleiding gewoon goed blijkt te werken.’
In 2003 besloot de raad van bestuur de centrale bezetting van de Wetenschapswinkel terug te schroeven tot één volledige arbeidsplaats. Het budget voor de overige 2,1 arbeidsplaatsen werd omgezet in extra onderzoeksbudget en er kwam een adviesraad en decentrale contactpersonen. Uit het jaarplan 2005-2006 blijkt dat het gemiddelde aantal onderzoeksvragen aan de winkel is verdubbeld van veertig per jaar tot tachtig in 2004. Het aantal rapporten dat naar aanleiding van de projecten uitkwam, kende een nog grotere groei. Van het dieptepunt van vier rapporten in 2002 ging het naar twaalf in 2003 en 2004 en naar schatting maar liefst twintig publicaties in 2005.
Volgens Straver komt die stijging voor een belangrijk deel voor rekening van de decentrale projectleiders die nu voor de onderzoeksbegeleiding zorgen. ‘We hebben ons ontwikkeld tot een netwerkorganisatie, waarbij decentrale medewerkers op projectbasis worden ingeschakeld.’ Een toenemend aantal onderzoeksvragen wordt beantwoord door studenten in het kader van het zogeheten Academisch Master Cluster. Hierbij vormen studenten samen een soort adviesbureau en werken zij relatief zelfstandig aan opdrachten.
Straver signaleert ook dat de gewenste verbreding van de universiteit naar de instituten zich heeft doorgezet. Het afgelopen jaar werden er zelfs meer projecten vanuit DLO gecoördineerd dan vanuit de universiteit. Vooral Alterra en het LEI scoren goed als uitvoerders. Straver: ‘Dat past goed in de traditie waarbij maatschappelijke organisaties vooral komen met vragen over de leefomgeving. We krijgen minder puur technische vragen.’
Dit betekent dat de Plant Sciences Group en Animal Sciences Group relatief onderbedeeld zijn bij de toekenning van projecten. Straver: ‘Door gerichte acquisitie en selectie streven we naar een meer evenredige verdeling van de projecten over de kenniseenheden. We willen geen scheve ogen.’. / GvM

Re:ageer