Organisatie - 24 januari 2008

Op naar de tienduizend

De doelstelling van tienduizend studenten voor Wageningen Universiteit geformuleerd door Aalt Dijkhuizen tijdens zijn nieuwjaarstoespraak verdient brede steun. Wel moet na verloop van tijd geëvalueerd te worden of deze doelstelling al dan niet naderbij komt. Vooraf kan al worden vastgesteld dat dit aantal niet zal worden gehaald met de huidige wervingsstrategie. In het licht van de nieuwe doelstelling zal deze dan ook opnieuw kritisch moeten worden bekeken. In zijn algemeenheid geldt dat het decentrale aandeel zal moeten worden vergroot. De reden daarvoor is dat de voor een succesvolle werving essentiële informatie wel beschikbaar is op decentraal maar niet op centraal niveau.
In de nieuwe strategie zal een viertal groepen moeten worden onderscheiden, die ieder hun eigen benadering behoeven: Nederlandse bachelorstudenten, masterstudenten uit de EU, masterstudenten van buiten de EU en doorstromers vanuit Nederlandse hbo’s naar de Wageningse masterprogramma’s. Ik concentreer me hier op twee groepen: de Nederlandse bachelorstudenten en EU-masterstudenten. Voor beide groepen geldt dat maatwerk doorslaggevend is voor succes. Voor de Nederlandse bachelorstudent zijn de diverse ‘uithangborden’ van belang. Dit houdt in dat ondanks de toenemende drang tot schaalvergroting ook relatief kleine opleidingen zichtbaar moeten blijven. De raad van bestuur zal de decentrale werving voor deze kleine opleidingen moeten stimuleren. Dat dit tot positieve resultaten kan leiden, is het afgelopen jaar voldoende gedemonstreerd met een kleine beginnende bacheloropleiding als ‘Economie en beleid’.
Hoe pak je de werving van masterstudenten uit de EU aan? Globaal gesproken zijn er twee sporen. Het eerste is individuele werving in het buitenland, via bijvoorbeeld onderwijsbeurzen. In dat geval treed je in concurrentie met andere Europese universiteiten. In de meeste EU-landen is dat een slecht idee. Het tweede spoor is gericht op samenwerking met toonaangevende universiteiten via onder andere de double degree (DD) en in de toekomst wellicht joint degrees. De samenwerkende universiteiten verliezen dan geen studenten aan elkaar, hetgeen voor de financiering van het onderwijs bijvoorbeeld in Nederland erg belangrijk is. In de EU bestaat een uitgebreid potentieel van samenwerkingsovereenkomsten die decentraal moeten worden geïnitieerd. Wel is financiële en juridische ondersteuning vanuit het bestuurscentrum een noodzakelijke voorwaarde om deze initiatieven te laten slagen.
Tot slot valt de studentenwerving door stafleden, een belangrijk onderdeel van de decentrale werving, nu onder het hoofdje ‘liefdewerk oud papier’. Het vreet tijd terwijl wetenschappers ondertussen worden afgerekend op onderwijs en onderzoek. Je kunt de werving niet laten afhangen van enthousiasme alleen. Decentrale werving moet ook door het management worden gestimuleerd opdat men voor het gemeenschappelijke belang een stukje harder loopt. Gebeurt dit niet, dan blijven de tienduizend van Dijkhuizen een illusie.

Re:ageer